REGLEMENT voor de BREI- EN NAAISCHOOL der
Diaconie van de Nederduitsche Hervormde Gemeente
te Dordrecht (1857)

Bron: Erfgoedcentrum DiEP
Archief: archief 489 (archiefbibliotheek) 
Inventarisnummer: 11.328
* * *
REGLEMENT voor de BREI- EN NAAISCHOOL der
Diaconie van de Nederduitsche Hervormde Gemeente
te Dordrecht
1857

(Dordrecht, Blussť en van Braam)

HOOFDSTUK I.
Van de bestemming der School, de wijze van aanneming der leerlingen en de verdeeling van het onderwijs.

Art. 1.
Deze school heeft ten doel om aan kinderen wier ouders door de Nederduitsche Herv. Diaconie bedeeld worden, kosteloos onderwijs te geven in het Breijen, Wollen- en Linnen Naaijen.

Art. 2.
Bij de aanneming van leerlingen in deze school komen alzoo in aanmerking:
1) De in Art. 1 genoemde kinderen.
Vervolgens zullen, zoo de plaatsruimte het toelaat, daartoe aangneomen worden:
2) Kinderen van onbedeelde doch behoeftige ouders, die van de Diaconie Leerschool ontslagen zijn.
3) Kinderen van onbedeelde doch behoeftige ouders, diem de Diaconie-Leerschool niet hebben bezocht.
4) Kinderen van ouders tot de Luthersche Gemeente te Dordrecht behoorende, door de Diaconie dier Gemeente bedeeld.
5) Kinderen van onderwijzers of onderwijzeressen der Diaconie-Scholen.

Art. 3.
De aanneming van kinderen geschiedt gewoonlijk tweemalen in het jaar, namelijk veertien dagen na iedere prijsuitdeeling in de Diaconie-Leerschool, en overigens zoo dikwijls Regentessen dit noodig oordeelen.
De aanneming der sub. no. 1 van het vorig artikel genoemde geschiedt door Diakenen, en der overige door Regentessen.
Regentessen zullen van de namen der leerlingen, haren ouderdom, jaar- en dagteekening harer aanneming of ontslag, en ten opzigte der bedeelden, van het wijk waartoe zij behooren, een behoorlijk register houden of doen houden.
Regentessen hebben de bevoegdheid om aan kinderen die van verregaande onzindelijkheid, wanordelijkheid of slecht gedrag bij voortduring blijken geven, de school te ontzeggen.
Regentessen geven heirvan, voor zooveel dit kinderen van bedeelde ouders betreft, aan het Collegie van Diakenen onmiddellijk kennis.

Art. 4.
Geene leerlingen worden op de school aangenomen dan die de kinderziekte gehad of de koepokinenting indergaan hebben.

Art. 5.
Het onderwijs in het breijen wordt gegeven aan kinderen die nog de Diaconie-Leerschool bezoeken. Zij ontvangen dit onderrigt 's Zomers 's namiddags van 4 tot 6 ure en 's Winters van 1 1/2 tot 4 ure.
Het onderwijs in het Wollen en Linnen Naaijen wordt gegeven aan kinderen die 11 of 12 jaren hebben bereikt. Dit onderwijs wordt gegeven dagelijks, voormiddags van 9 tot 12 ure en 's namiddags van 1 1/2 tot 6 ure of zooveel vroeger als het daglicht ophoudt.
De leerlingen van de Breischool worden op haar 11e of 12e jaar in de Naaischool overgeplaatst, vanwaar zij op haar 16e jaar ontslagen worden.
Bij den aanvang van den voormiddag-schooltijd zal door eene der oudste leerlingen bij beurtwisseling een Hoofdstuk uit het Nieuwe testament worden vorogelezen.

Art. 6. 
De Vacantien zijn, behalve op iederen Woensdag en Zaturdag namiddag, op de Zon- en Feestdagen, op Dingsdag na Pinksteren, van Woensdag tot Zaturdag der eerste Kermisweek en de namiddagen van Maandag, Dingsdag en Woensdag der tweede Kermisweek.

HOOFDSTUK II.
Van het bestuur der School.

Art. 7.
Het bestuur over deze school, die volgens besluit van den Algemeenen Kerkeraad van den 9 Mei 1853 verkalard is het eigendom der Diaconie te zijn, wordt, op uitnoodiging van Diakenen, uitgeoefend door zes Regentessen, waarvan twee uit de echtgenooten der dienstdoende Predikanten, twee uit die der dienstdoende Ouderlingen en twee uit die der dienstdoende Diakenen, allen der Nederd. Herv. Gemeente, gekozen worden, met dien verstande, dat hare betrekking ook na het eindigen van den diensttijd harer echtgenooten blijft voortduren.
 Bij opengevallen plaats in het bestuur zullen Regentessen zelve, binnen zes weken, door benoeming eener mede Regentes die plaats aanvullen. Regentessen geven van die benoeming aan het Collegie van Diakenen kennis, door tusschenkomst van Regenten der Diaconie-Leerschool.

Art. 8.
Regentessen verdeelen onderling hare werkzaamheden en benoemen eene uit haar midden tot Presidente en eene tot Kassierse. Zij geven hiervan, ook bij verwisseling, aan Regenten der Diaconie-Leerschool kennis.

Art. 9
Regentessen doen jaarlijks, in de eerste helft der maand Januarij, rekening en verantwoording van haar beheer aan het Collegie van Diakenen door tusschenkomst van Regenten der Diaconie-Leerschool. Zij zenden daartoe die rekening, door ieder van haar onderteekend, met de bijlagen en vergezeld van eene opgave nopens den staat van het schoolfonds, op dat tijdstip aan genoemde Regenten in.

Art. 10.
Regentessen zullen, tot het ten uitvoer brengen van de haar in dit Reglement opgedragen werkzaamheden en verder tot bevordering van de belangen van de school, ten minste om de twee maanden, hetzij in een der localen van de school, hetzij aan hare eigene huizen, vergadering houden.

Art. 11.
Regentessen zullen maatregelen nemen om het getrouw schoolgaan der leerlingen te bevorderen en te onderhouden, en daartoe, wat de kinderen van bedeelde ouders betreft, de hulp en medewerking van Diakenen kunnen inroepen. Tot bereiking van dit doel zullen zij maandelijks eene lijst der afwezig gebleven leerlingen aan Diakenen doen bezorgen.

Art. 12.
Regentessen zullen, ten minste eenmaal in iedere maand, de school bezoeken en zoo naar haren toestand en de vorderingen der leerlingen onderzoek doen. Zij maken onderling bepalingen omtrent den tijd en de wijze van belooning der leerlingen.

Art. 13.
Regentessen leveren van den staat der school en van hare werkzaamheden eenmaal 's jaars, en wel primo Devcember, een verslag in aan het Collegie van Diakenen door tusschenkomst van Regenten der Diaconie-Leerschool.

Art. 14.
Regentessen zullen, ten koste van de Diaconie der Nederd. Herv. Gemeente, al wat tot de vervaardiging van hemden, kousen en luijerkorven noodig is, aankoopen en de rekeningen daarvan door eene van haar goedgekeurd aan den Boekhouder der Nederd. Herv.  Diaconie inleveren.

Art. 15.
Regentessen zullen daarvan jaarlijks doen maken:
1) Honderd paren kousen of zooveel als er door de leerlingen op de Breischool kunnen afgewerkt worden.
2) Het benoodigd getal hemden voor eene deeling aan alle bedeelden der Nederd. Herv. Diaconie, hetwelk geschat wordt op ongeveer 2400 stuks, en daarenboven van iedere soort zoo veel, dat aan buitengewoone aanvragen van Diakenen steeds kan voldaan worden.
3) De noodige eerste en tweede gedeelten van Luijerkorven, berekend te zamen op ongeveer honderd afleveringen.
4) In buitengewone gevallen, een onbepaald getal van vrouwenrokken of andere kleedingstukken die door het Collegie van Diakenen verlangd worden.
Zij zullen alle deze kleedingstukken nazien en doen bewaren in een der Localen van de school waarvan de sleutel onder hare bewaring zal blijven.

Art. 16.
Regentessen zullen daarvan doen afgeven:
1) In de eerste helft der maand December van ieder jaar de door het Collegie van Diakenen alsdan aan te vragen hemden en kousen.
2) ten allen tijde op ordebriefjes van Diakenen, de gevraagde soorten van hemden en Luijerkorven.
Zij zullen maandelijks aan Diakenen eene opgave van het afgeleverde doen bezorgen.

HOOFSTUK III.
Van de Naaivrouw.


Art. 17.
Er zal worden aangesteld eene Naaivrouw, die belast zal wezen met het onderwijs n de school, het huishoudelijk bestuur daarin en de vervaardiging der in Art. 15 genoemde kleedingstukken. Zij ontvangt hare benoeming of ontslag van Regentessen.
De vereischten voor deze betrekking zijn, zoo de Naaivrouw niet is huisvrouw of overgebleven weduwe van den Hoofdonderwijzer der Diaconie-Leerschool, de ongehuwde of weduwestaat, zonder dat zij met een huisgezin belast is, het lidmaatschap der Nederd. Herv. Gemeente, goed gedrag, bekwaamheid in breijen, stoppen, wollen en linnen naaijen en ervarenheid in lezen, schrijven en rekenen.

Art. 18.
De bezoldiging der Naaivrouw is jaarlijks f 450. Zij zal daarenboven vrije geneeskundige hulp en geneesmiddelen, vrije woning en eene door Regentessen te bepalen som voor brandstoffen en schoonmaakgereedschappen genieten.
Zij is daarentegen verpligt op hare kosten eene helpster of onder-Naaivrouw aan te enmen, altijd onder goedkeuring van Regentessen.

Art. 19.
Het zal de Naaivrouw vrijstaan, zoo het werk voor de Diaconie het toelaat, op de school ook voor particulieren te werken.
De verdiensten daarvan zullen voor de helft ten haren voordeele en voor de andere helft ten voordeele der school zijn. Indien die verdiensten echter beneden de f 160 in het jaar mogten blijven, zal de Naaivrouw daarvan evenwel f 80 geniten en bijaldien zij beneden de f 80 bleven, zullen zij geheel door haar worden genoten.

Art. 20.
De Naaivrouw ontvangt van Regentessen eene instructie waarnaar zij zich zal moeten gedragen, en waarin haar de verpligtingen worden opgelegd, welke uit dit Reglement voortvloeijen, of door regentessen in het belang der school worden noodig geacht.

HOOFDSTUK IV.
Van de Geldmiddelen der School.

Art. 21.
De jaarlijksche uitgaven dezer school worden bestreden:
1) Uit de renten van het bestaande fonds dezer school.
2) Uit de helft van het Naailoon door werk voor particulieren verdiend.
3) Uit eene subsidie van de Diaconie der Nederduitsche Hervormde Gemeente die, wanneer de omstandigheden geene vermindering dier som vorderen, bepaald wordt op f 500 jaarlijks.

Art. 22.
Het schoolfonds, bestaande uit het nu reeds voorhanden zijnde kapitaal, de schenkingen of erfmakingen die aan deze school in het vervolg mogten te beurt vallen, en de eventuele batige saldo's der jaarlijksche rekeningen, zal door Regentessen behoorlijk belegd worden in inschrijvingen op het grootboek der Werkelijke Schuld ten laste Nederland, ten name van de brei- en Naaischool van de Diaconie der Nederdutische Hervormde Gemeente te Dordrecht. Het bewijs dier inschrijvingen zal worden bewaard in de ijzeren kist in welke de inschrijvingsbewijzen dier Diaconie berusten en die zich bevindt in de Bank van Leening. De Renten zullen jaarlijks door Regentessen ontvangen en in hare rekening verantwoord worden.

SLOTBEPALINGEN.

Art. 23.
Dit Reglement treedt in werking met 6 Janaurij 1857.

Art. 24.
Geene veranderingen zullen in dit Reglement kunnen gemaakt worden, dan die op aanwijzing of na ingewonnen advies van Regentessen, door het Collegie van Diakenen vastgesteld en door den Algemeenen Kerkeraad goedgekeurd zijn.

Aldus vastgesteld in de vergaering van Diakenen der Nederduitsche Hervormde Diaconie te Dordrecht, den 10 December 1856.
J. HESSELINK, Praeses.
H. 't HOOFT, Scriba.

Goedgekeurd in de vergadering van den  Algemeenen Kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Dordrecht, op den 5 Janaurij 1857.
A.H. BLOM, l. Praeses.
H.J. VAN GRUTING l. Scribae.

(c) EvD Dordrecht november 2009.