PLAATSELIJKE SCHOOL-ORDE
voor de lagere scholen te Dordrecht (1823)
en
SCHOOLWETTEN (1823)

Bron: Erfgoedcentrum DiEP
Archief: archief 121 (schoolcommissie) 
Inventarisnummer: 80
* * *
PLAATSELIJKE SCHOOL-ORDE voor de lagere scholen te Dordrecht
(te Dordrecht bij Blussé en van Braam, 1823)

Art. 1.
Er zal het geheele jaar door dagelijks worden school gehouden, uitgezonderd alle Zon- en Feestdagen, des Saturdag's namiddag en de natemeldene vacantien.

Art. 2.
Deze vacantien worden bepaald: met Paschen eene halve week, met Pinksteren eene week, gedurende de daarop volgende Kermisweek halve dagen, van den laatsten Woensdag in September tot Saturdag, en met Kersmis eene halve week; de laatste zoo als de gewoonte medebrengt.

Art. 3.
In buitengewone gevallen voor één' of meer schooltijden verlof tot vacantie begeerende, zal de Onderwijzer zich hiertoe vervoegen bij den Schoolopziener van zijne Wijk.

Art. 4.
De School zal gehouden worden: 's morgens van negen tot twaalf ure, 's namiddags van twee tot vier ure; de avondschool zal zijn van vijf tot zeven ure.

Art. 5.
De Onderwijzer zal, gedurende elken schooltijd, van het ebgin af tot het einde toe zijne School moeten tegenwoordig zijn; zich met niets anders dan met onderwijzen mogen bezighouden, en zonder redenen van noodzakelijkheid zich niet buiten zijne School begeven.

Art. 6.
Hij zal zorgen, dat de Scholieren niet onnoodig naar buiten gaan, en dat zij zich gedurende den ganschen schooltijd stil en vreedzaam, alsmede op straat steeds vreedzaam, zedig en beleefd gedragen.

Art. 7.
Waar eht getal der Scholieren meer dan zeventig bedraagt, zal men eene Ondermeester of tweeden Meester, moeten aannemen; en voorts, naar evenredigheid, voor de noodige hulp moeten gezorgd worden.

Art. 8.
Er zullen niet dan op vastgestelde tijden in het jaar nieuwe Leerlingen worden aangenomen; en wel viermaal 's jaars; te weten: in Januarij, April, Julij en October.

Art. 9.
De schooltijd zal dagelijks met een kort en gepast Christelijk gebed, op eene eerbiedige wijze ingerigt, geöpend en gesloten worden; en zal bij dezelfde gelegenheden ook iets toepasselijks moeten gezonden worden.

Art. 10.
De Leerlingen zullen verdeeld worden in drie klassen, welke van elkander afgezonderd zitten, en ieder binnen elken schooltijd onderwijs ontvangen.

Art. 11.
Deze klassen worden nog verdeeld in afdeelingen, naarmate van het meerder of minder getal der Leerlingen.

Art. 12.
De leerlingen van dezelfde klasse worden steeds gezamenlijk onderwezen; terwijl voorts gezorgd wordt, dat die der andere klassen gedurende dien tijd hunnen bezigheid hebben.

Art. 13.
De onderscheidene klassen worden in de verschillende gedeelten van het onderwijs zooveel mogelijk op een bord onderwezen.

Art. 14.
De werkzaamheden vor elke klasse zullen de volgende zijn:
In de Derde of Hoogste Klasse:
Schrijven, kunstmatig lezen, verbeteren en ontleden van gebrekkige opstellen, en wat verder tot de Nederduitsche taal behoort; - schrijven van brieven, bijbelsche en vaderlandsche geschiedenis en zangkunst.
In de Tweede klasse:
Schrijven, vlug lezen, het gelezene vertellen, theorie en praktijk der rekenkunde, beginselen der bijbelsche en vaderlandsche geschiedenis, Nederduitsche taal en zingen.
In de Eerste of Laagste klasse:
Letters en twee- en drieklanken leeren, en hoe men dor voor- en achtervoeging van letters woorden maakt; woorden van twee, drie, vier en meer lettergrepen spellen, redelijk wel elzen, leeren der cijferletters, uitspreken van getallen van drie, vier en meer letters en leeren der leesteekens.
De vedere verdeeling van deze werkzaamheden voor elken schooltijd wordt aan de Onderwijzers overgelaten; mits ieder derzelven een afschrift aan de Plaatselijke Schoolcommissie ter hand stelle.

Art. 15.
Met opzigt tot de Avondschool volgt de Onderwijzer dezelfde bepalingen als omtrent de Dagschool zijn vastgesteld; - met meerdere vrijheid echter ten aanzien van meer gevorderden, die tot verdere oefening de avondschool alleen blijven bijwonen.

Art. 16.
De Onderwijzer zal, dit gepast oordeelende, de meest gevorderde Leerlingen beloonen met hun het geven van eenig onderrigt aan de minstgevorderden op te dragen.

Art. 17.
De Onderwijzer ziet toe, dat de Kinderen zindelijk en altijd, wel gewasschen en gereinigd ter School komen, dragende tevens de meeste zorg voor de gezondheid der Leerlingen.

Art. 18.
De Schoolvertrekken moeten steeds rein en zindelijk wezen, en te dien einde tusschen de schooltijden gelucht en wekelijks tweemaal gezuiverd worden.

Art. 19.
De Kinderen kunnen niet dan met elk half jaar van de eene naar de andere klasse bevorderd worden, hetwelk aan den Onderwijzer wordt toevertrouwd, met toestemming echter van den Schoolopziener van zijne Wijk.

Art. 20.
Er zal jaarlijks over elke School een examen gehouden, en aan hun, die in vlijt en ordentelijkheid uitgemunt hebben, prijsjes uitgedeeld worden. Te dien einde zal de Onderwijzer aanteekening houden van het gedrag der Leerlingen, waarvan de blijken bij het toewijzen van prijzen in aanmerking zullen komen.

Art. 21.
De Onderwijzer zal in zijne School zindelijk en zeer leesbaar geschreven ophangen:
1) In den vorm van eene tabel de verdeeling van zijne Leerlingen in klassen en afdeelingen, zoo als dezelve in art. 10 en 11 is bepaald.
2) Insgelijks in den vorm van eene tabel de regeling der werkzaamheden van elke klasse; volgens art. 14 dezer School-orde; - kunnende hier worden bijgevoegd de verdeeling dezer werkzaamheden voor elke schooltijd, volgens het plan daartoe door den Onderwijzer aan de Plaatselijke Schoolcommissie kennelijk gemaakt.
3) De in voldoening aan Art. 15 der Algemeene School-orde van 23 Mei 1806 vervaardigde Schoolwetten, welke hij bij gepaste gelegenheden, ten minste ééns in de maand, aan de Schooljeugd zal voorlezen en uitleggen; terwijl de Onderwijzer zich zal toeleggen om aan de nakoming dezer wetten behoorlijk de hand te houden, zonder echter daartoe van eenige ligchamelijke straffen gebruik te maken, als welke bij deze stellig verboden zijn.

Art. 22.
Eindelijk zullen geene Schoolboeken mogen gebruikt worden, dan welke door de Plaatselijke Schoolcommissie zijn goedgekeurd.

Aldus vastgesteld door de Plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht, den 8sten April 1823.
W.J. DE BRUYN DE NEVE, President.
H. DEN BANDT, Secretaris.
* * *
SCHOOLWETTEN.

Art. 1.
Geen Kind mag te laat ter School komen, of er zonder verlof uitgaan; ook mag geen Kind uit de School blijven zonder voorafgaande toestemming van den Meester.

Art. 2.
Elk Kind moet gewasschen, gekamd en zuiver gekleed in School komen, of het wordt terug gezonden, om zich te reinigen

Art. 3.
Elk moet eene geode houding aannemen, hetzij het ga, sta, zitte, leze, schrijve of met eenige andere werkzaamheid bezig zij.

Art. 4.
De Leerlingen moeten in de School stil, aandachtig en oplettend zitten, en hun werk zoo verrigten, dat zij door hard op te lezen de anderen niet verhinderen; - zij luisteren zoowel naar hetgeen aan anderen als aan hunzelven geleerd wordt, om degenen te verbeteren, die fouten begaan, of die onkundig zijn te regt te brengen.

Art. 5.
Elk Kind zorge voor de boeken, die het op School gebruikt, en houde dezelve, benevens zijne papieren, zindelijk en schoon. Baarblijkelijke slordigheid ten dezen aanzien wordt door den Onderwijzer beteugeld.

Art. 6.
Elk Kind gedrage zich op straat, bij zijne Ouders of elders, even als in de School, altijd ordentelijk, bescheiden en beleefd.

Art. 7.
In het uitgaan der School gedragen zich de Leerlingen geschikt en vreedzaam onder elkander en behoorlijk jegens andere menschen.

Art. 8.
God vreezen en eerbiedigen, de Ouders eeren en beminnen, den Meester gehoorzamen en achting toedragen, alle menschen met bescheidenheid behandelen, onder elkander vriendelijkheid, hulpvaardigheid en gedienstigheid aankweeken, deze zijn de eerste pligten der Kinderen, om deugzame en achtenswaardige menschen te worden.
Die zich tegen dezelve verzet en door geene aanmaningen te regt is te brengen, is slecht; hij wordt als dusdanig door den Meester aangeteekend, die de overige Leerlingen tegen zoo een afschuwelijk medgezel waarschuwt; en hij wordt door den Meester aan den Schoolopziener van de wijk bekend gemaakt, die met hem de maatregelen zal beramen tot de beteugeling of teregtbrenging, of anders van zware bestraffing, van zoo een ontaard jongeling.

Art. 9.
Ten einde meer en meer deugdzaam en Godvreezend te worden, moeten de Kinderen goede boeken, maar bijzonder de geschiedenis, lessen en leeringen van Jezus Christus leeren kennen; dezelve altijd met eerbied lezen of hooren lezen, en de daaruit afgeleide vermaningen aandachtig gadeslaan en ijverig betrachten.
Kinderen, die zich aldus gedragen, mogen altijd gerust en blijmoedig leven, en voor dezelven zijn onschadelijke en gepaste spellen, na het volbrengen van hun werk, onschuldig en geoorloofd, mits zonder twisten en alleen als uitspanning plaats hebbende.

Aldus vastgesteld door de Plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht, den 8sten April 1823.
W.J. DE BRUYN DE NEVE, President.
H. DEN BANDT, Secretaris.

(c) EvD Dordrecht november 2009.