DORDRECHT: AANTEKENINGEN SCHOOLCOMMISSIE

* * *

nr. 1 (10-9-1828) 6 Hollandse scholen
nr. 2 (15-4-1831) buurtschap Het Visschertje;
nr. 3 (2-5-1834) oprigting zoogenaamde openbare Stads-school; schoolopziener G. van Kooten; open erf aangekocht;

nr. 6 (1-4-1835) Aan de Edel Achtbare Heeren Burgemeester & Wethouders der Stad Dordrecht.
Ingevolge het besluit van den Ed Achtb Raad dezer stad, en de uitnoodiging, vervat in U.E.A. missive,  van den 13 Mei 1836, hebben wij de eer, tot bereiking van het doel tot oprigting eener openbare Stadsschool, U.E.A. de navolgende mededeelingen te doen.
Op daartoe gedaan verzoek is door de Heeren de Greef [=?Bastiaan de Greef (1758-1837)?] en Itz, gevormd tot het bouwen van een lokaal op het bereids aangekocht erf waarin 400 a 500 kinderen zouden kunnen geplaatst worden, en zijn door den eersten de kosten van het gebouw geraamd op f 6000 terwijl dezelve door den laatstgenoemde, op eene Somma van f 6900 geschat zijn; welk verschil daarin gelegen is, dat naar het bestek van den Heer Itz de maten ter dikte van twee Steenen en naar dat van den Heer de Greef de muren, tot dikte van 1 1/2 Steen zouden opgetrokken worden en welk laatste geval, in plaats van een doorloopend dak, het gebouw met twee daken zou behooren gedekt te zijn, ten einde het gewigt in het rusten op de muren te verminderen.
Voor Schoolmeubelen zoo als tafels, banken enz zou benoodigd zijn eene Somma van f 500 welke Som echter niet dadelijk geheel zou vereischt worden, omdat dezelve berekend is naar het boven opgegeven aantal van 400 of 500 kinderen en alzoo slechts bij gedeeltens behoefte gebruikt te worden, in Overeenstemming met het toenemen der school.
Uit het bovenstaande blijkt derhalve, dat er tot het oprigten eener zoodanige School eene Somma gevorderd wordt van f 6500 of 7400 welke Som bij eene openbare aanbesteding van het gebouw zeker niet rijzen, maar hiigstwaarschijnlijk dalen zou.
Ter voorziening in deze behoefte kunnen, in de eerste plaats verstrekken f 2500, welke door den Heer Schoolopziener van enkele edelmoedige Gevers, die het hoogste belang stellen in het vestigen eener Stadsschool, ontvangen zijn en welke door de Commissie aan UEA tot dat doel worden aangeboden. En wat de overige Som betreft, indien daaromtrent door UEA bezwaar mogt gevonden worden de Heer Schoolopziener verklaard, in dat geval in Staat gestelt kunnen worden, om UEA zoodanige Som, tegen betaling van eenen gertingen interest te doen bekomen.
De School eenmaal opgerigt zijnde, zou moeten Strekken om daarin te doen onderwijzen vooreerst de Kinderen behoorende tot al zoodanige DiakoniŽn welke geene afzonderlijke School of welke van de School der Nederduitsche Hervormde Diakonie zijn uitgesloten en in de tweede plaats de kinderen van ouders die niet in staat zijn, om voor dezelve de gewone Schoolgelden optebrengen.
Met opzigt tot de Jaarlijksche gehoefte kunnen wij berigten, dat er zou vereischt worden, een Hoofdonderwijzer met een tractement van f 800 benevens zoodanige emolumenten als hem zonder aanmerkelijk finantieel bezwaar kunnen worden toegestaan, en het genot van vrije woning voor welk laatste wij UEA verzoeken een deraan het Erf belendende en aan de Stad toebehoorende huizen en tijd en wijlen te verleenen; vervolgens een Ondermeester met een Tractement van f400 en eidnelijk een adsistent, met een tractement van f 100, terwijl de Schoolbehoeften berekend zijn f 150 te zullen bedragen, hetwelk alzoo uitmaakt eene Somma van f 1450.
Hiertegen kan in Ontvangst worden gebragt de opbrengst der Schoolgelden. De kinderen der Diakonien, welker aantal met grooter dan 30 zijn zal, zouden gratis onderwijs genieten; door de overige daarentegen moet door ider bij elken Schooltijd ťťn Cent worden betaald, Indien wij het aantal der zoodanigen slechts op 300 veronderstellen en tien Schooltijden in iedere week  rekenen (de elfde daar latende voor Vacantien en voor wegblijvenden wegens ziekte enz) dan bekomt men daardoor eene Jaarlijksche Som van meer dan 1500, zoodat de Ontvangst rijkelijk de Uitgaven, zal kunnen bestrijden. En wanneer men vreezen moet dat in de eerste maanden, door het nog niet aanwezig zijn van het gestelde aantal leerlingen, de geraamde Som niet zou ontvangen worden, mogen wij daartegen aanvoeren dat er zich een uitzigt geopend heeft waardoor men welligt gedurende het eerste Jaar eenen Hoofdonderwizjer zou kunnen ontberen.
Eindelijk verklaart de Commissie zich bereid en biedt zij zich volgaarne aan tot het oprigt en de administratie van gezegde school.
Wij hebben de eer eht bvoenstaande aan UEA oordeel te onderwijzen, met uitnoodiging, hetzelve in ernstige overwegene te nemen, en met eerbiedig verzoek, UEA krachtdadige medewerking te ver.....;

nr. 7 (5-6-1835) Aan de Edel Achtbare Heeren uitmakende de Commissie van de Stadsschool te Dordrecht
Wij hebben de eer UEA hiernevens toetezenden het door UEA verlangde plan, het welk door den heer Itz is otnworpen voor het gebouw eener opterigten openbare Stadsschool.
En wat de overige door UEA gedane vragen betreft, hebben wij de eer UEA te berigten:
(1) Dat door den Heer de Greef slechts mondeling opgaven en mededeelingen omtrant zoodanig gebouw aan ons hebben plaats gehad, zonder dat dezelve in teekening zijn gebragt; zoodat wij ten dien opzigte geen bepaald ontwerp of plan kunnen overleggen, noch meeer vermelden, dan bereids door ons is geschied.
(2) Dat de kosten van het gebouw overeenkomstig ons Rapport van den 1 April ll zouden bedragen volgens den heer de Greef f 6000 en volgens dne Heer Itz f 6900.
(3) Dat de door ons bedoelde emolumenten boven en behalve de vrije woning aan den Hoofdonderwijzer toetestaan, de zoodanige zijn als op de Diakonieschool aan den Hoofdonderwijzer worden toegekend namelijk, geheele schadeloosstelling voor vuur en licht en voor het Jaarlijksch schoonmaken van het Schoollocaal, en eindelijk, zoo zulks gescheiden kan, voor Genees en Heelkundige hulp.
(4) Dat wat het uitzigt, betreft, waardoor men welligt gedurende het eerste Jaar eenen Hoofd Onderwijzer zou kunnen, ontberen het zelve voor als nog alleen bestaat in een voornemen, dat de Commissie bij het oprigten der School zal trachten, ten uitvoer te brengen zij heeft namelijk het doel om alsdan aan de Heeren......;

nr. 9 (3-8-1835) request D. Geelgoed, onderwijzer;
nr. 11 (13-11-1835) heer F.L. Martin, onderwijzer in de Franse taal;
nr. 16 (13-10-1836) Hendrik van Helden, hoofdonderwijzer op openbare stadsschool (2e rang, onderwijzer Bijz. Nederduitse school);
nr. 17 (30-11-1836) reglement openbare Stadsschool te Dordrecht (bedeed en niet-Hervormds of israelitisch);
nr. 18 (16-1-1837) Hendrik Reewinkel, schoolonderwijzer (naar Riedijk) / schoolhouder G. Borking (1811);
nr. 20 (24-5-1837) Catharina Wilhelmina Lohmann, institrice op Franse kostschool voor meisjes (thans gouvernante bij E.A. Heer Hofman, wethouder te Rotterdam);
nr. 21 (27-9-1837) onwettig wijze schoolgehouden Ekelo in de Kolfstraat, Schotel in de Raamstraat, Nieuwenhuizen in Weeshuisstraatje;
nr. 24 (27-6-1838) huisonderwijzer Arie Bek (2e rang);
nr. 28 (12-2-1839) D. Geelhoed;
nr. 30 (28-9-1839) overlijden Jacob van Gelder / Jodocus Roodenburg of Jan Cornelis Maris, schoolcommissie;
nr. 34 (23-4-1841) H. Reewinkel overleden / J.P. van der Steen;

nr. 35 (14-9-1841) Aan de Edel Achtbare Heere Burgemeester en Wethouders der Stad Dordrecht.
Dordrecht, den 14 September 1841.
De Plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht overtuigd van de noodzakelijkheid dir er bestaat, en vooral van het belang, hetwelk er in gelegen is dat ook binnen deze Stad voor Jonge lieden, welke zich op de zeevaart toeleggen, de gelegenheid zal werden geopend, om onderwijs in de Stuurmanskunde te ontvangen, ten einde zij zich daartoe niet meer naar elders zouden behoeven te begeven; is te rade geworden Arie Bek, Hoofdonderwijzer op de IsraŽlitische School alhier, welke zich reeds in dien Wetenschap had geoefend, aan te meodigen zich tot het geven van het verlangde onderwijs verder in staat te stellen, waartoe hij zich ten volle bereid verklaarde.
Wij hebben gemeend, ons met schriftelijk te dezer zake tot UEd Achtb meeden wenden, voordat wij ons overuigd hadden van deszelfs bekwaamheden ten dien opzigte, zoo als thans dan ook heeft plaats gehad, door een op onze uitnoodiging gehouden onderzoek, door de scheepsgezagvoerders J. van der Linden en E.M. Chevalier, welke beiden hebben verklaard, dat Arie Bek duidelijk blijken gegeven heeft dat hij grondige kennis bezit van de hoofdzaken der Stuurmanskunst, en dat hij de aan hem opgegevene voorstellen welke voor de moeijlijkste gevallen liepen, naar behooren heeft uitgewerkt.
En dat zij hem daarom geschikt oordeelen, om het onderwijs voor jonge lieden, voor de zeevaart bestemd aan hem toe te vertrouwen.
Dien ten gevolge hebben wij dezer uEd Achtb. bij deze voortedragen om Arie Bek Hoofdonderwijzer op de IsraŽlitische School te dezer Stede te benoemen tot Huisonderwijzer in de Stuurmanskunst alhier, onder toekenning aan hem van een Jaarlijksche Stedelijke toelage.
Wij meenen dat wij niets behoeven aan te voeren tot toelichting onzes voordragt, omdat wij weten, dat door UEd Achtb. gaarne zal worden voorzien in deze belangrijke behoefte van Dordecht 's ingezetenen. Wij hebben gesproken van het toestaan eene Jaarlijksche toelage, omdat wij gelooven dat zulks zal moeten Strekken tot aanvankelijke belooning van den Onderwijzer voor zijne aangewende pogingen en tot de gemoetkoming in de verdiensten welke voor hem in het bedoelde vak althans in den beginne, niet groot zijn zullen.
Wij hopen in het belang der zaak, op een gunstige en spoedige beschikking.
De Plaatselijke Schoolcommissie (get.) P.F. Timmers Verhoeven, Lid en Secretaris.

nr. 36 (29-9-1841) Aan de Edel Achtbare Heere Burgemeester en Wethouders der Stad Dordrecht.
Dordrecht, den 29 September 1841.
In antwoord op UEd Achtb. missive dd. 21 dezer no. 429 hebben wij de Eer UE Achtb. te berigten, dat wij de in gemelde missive gedane vraag aan Arie Bek hebben voorgesteld en dat hij ons heeft te kennen gegeven, het voornemen te hebben om het bedoelde onderwijs te geven gedurende vijf dagen in iedere week en wel van maandag tot Vrijdag ingesloten, des voormiddags van negen tot twaalf uren voor ee.e Gulden Vijftig Cents (f 1,50) per week, voor elken leerling.
Daar wij ons met dir Voorstel vereenigingen, hebben wok daaromtrent niets in Consideratie te geven doch hebben wij gemeend, de vrijheid te moeten nemen uEd Achtb. aandacht te vestigen op de geringheid van het loon dat door den Onderwijzer wordt verlangd, en op de noodzakelijkheid die er voor hem bestaat om zich van de boeken en de vele kostbare werkyuigen te voorzien, welke er tot het odnerwijs in de Stuurmanskunst gevorderd worden, en daarom aan UEd Achtb. te verzoeken dat de bereids verzochte Jaarlijksche Stedelijke toelage zoo groot mogelijk zal wotden toegestaan en vastgesteld.
De Plaatselijke Schoolcommissie (get.) P.F. Timmers Verhoeven, Lid en Secretaris.

nr. 41 (6-6-1842) C.J. de Vogel, Fransch kostschoolhouder is overleden / vacant;
nr. 44 (1-7-1842) G. van Kooten, lid commissie;
nr. 46 (24-7-1842) mej. A.C.W. Lohman overleden, Frans kostschoolhoudster voor meisjes / mej. J. Mioulet, secondante;
nr. 50 (29-9-1842) vacature Frans Kostschool voor jongens / G. Jurling, gouvern. op huize Nijenburgh bij Kollum (Friesland);
nr. 52 (22-10-1842) vacature Frans Kostschool voor meisjes / mej. van Koningsvelt en Landskroon;
nr. 60 (13-4-1844) op te rigten bewaarschool / J.P. van der Steen overleden / G. Borking ontslag / M. Reus, onderwijs buitenwijk;
nr. 61 (29-4-1844) bewaarschool / B.C. Scheers huisvrouw F.W. Straatmanm Hz;
nr. 62 (25-5-1844) Martinus Reus, onderwijzer buitenbuurt;
nr. 63 (16-8-1844) D. van Katwijk, onderwijzer op Bijzondere school 2e klasse;
nr. 65 (2-1-1846) P. Dijksterhuis, C. Roobol, L. Eijsbergen, oprigten bijz. school 1e klasse;
nr. 66 (13-1-1846) locaal naast Stadsschool verhuurt aan kastelein Kilsdonk;
nr. 68 (7-2-1846) school van mej. Smaasen, die reeds eenige tijd in getal van leerlingen is teruggegaan door de oprigting eener nieuwe school gevaar lopen...; 
nr. 71 (15-5-1846) Jacoba Mioulet, kostschoolhouderesse /  subsidie aan wed. Smaasen;
nr. 72 (16-5-1846) Mej. A.E. Nijgh, secondante te Rotterdam op te rigten Frans Kostschool voor meisjes;
nr. 73 (16-5-1846) mej. J.S.C. Kretschmer te Gorinchem;
nr. 74 (16-5-1846) mej. P.M. Goudappel te Voorburgt;
nr. 75 (16-5-1846) C.M. Molenbroek te Amsterdam;
nr. 77 (16-5-1846) C.W.E. Rau te Vlaardingen;
nr. 78 (16-5-1846) D.A. Nieuwenhuis te Nijmegen;
nr. 79 (1846) schoolopziener Delprat;
nr. 81 (7-8-1846) mej. J. Mioulet, stopt met kostschool / school Kretschmer nog niet geopend;
nr. 82 (7-8-1846) P. Dijksterhuis;
nr. 83 (7-1-1847) M. Reus, overleden;
nr. 85 (5-4-1847) H.W. Flock, ondermeester s Hage;
nr. 94 (24-11-1849) J. Schreuders, onderwijzer bijz. school der 2e klasse / D. van Katwijk / J.P. Goedhart;
nr. 95 (5-1-1850) J.A.C. Los, oprigten Fransch en Nederduitsch dag-avondschool / C.C.J. Nunnink / J.C. de Wilde;
nr. 98 (25-9-1850) S.S. Hansum, huisonderwijzer aangesteld;
nr. 101 (1-10-1850) J.C. de Wilde, G. Jurling, J.A.C. Los, C.J.J. Nunnink, M.M. Hofman wed Smaasen, J.C.S. de Vries geb. Kretschmer;
nr. 102 (1-10-1850) (koepokinenting) L. Bijkerk, D. Visscher van Aalst, H. Spoel, D. van Katwijk, A. Bek, J.P. Goedhart, J. Schenk;
nr. 10. (9-11-1850) C.J.J. Nunnink, onderwijzeres in een bijz. school der 2e klasse uitsluitend voor meisjes;
nr. 105 (21-11-1850) (inenting) mej. de Wed. de Vogel / mej. J.C. Govers;
nr. 115 (20-3-1851) Joseph Lock, huisonderwijzer in Engelse taal en letterkunde;
nr. 116 (27-3-1851) mej. de wed C.J. de Vogel, bedankt voor betrekking als houderes van bewaar/kleinkindschool / Agneta Elisabeth Schreuders;
nr. 118 ... J.C. Govers, J.C.S. de Vries-Kretschmer, A.E. Schreuders, J. Schenk, wed. H. Smaasen-Hofman, C.J.J. Nunnink....;
nr. 120 (3-10-1851) oprigting Nederduitsche bijz. school voor meisjes (1 uur dagelijks vrouwelijk handwerken);
nr. 122 (3-1-1852) Nederduitsche bijz. school voor meisjes; Johannes Schenk, onderwijzer Nederd. school 2e klasse, buitenwijken;
nr. 126 (3-1-1852) A. Degens / H. van Helden;
nr. 130 (27-1-1852) vacature weeshuis (o.a. W. Baar, onderwijzer te Lienden);

nr.  136 (5-2-1852) Mejufvrouw J.C. Govers houderesse eener bewaarschool te Dordrecht.
Dordrecht, den 5 Februarij 1852.
Mejuffrouw! Ik heb uw verlangen, om het door UE gegeven wordende avond-onderwijs in enkele handwerken, ook gedurende den zomer te mogen voortzetten, in de vergadering der schoolcommissie overgebragt, en kan UE als haar gevoelen kenbaar maken dat zij voor het tegenworodige er geen bezwaar in vindt, dat bedoeld avondonderrigt door UE wordt gegeven, mits het zich ťťnig en uitsluitend bepale tot vrouwelijke handwerken en elk wetenschappelijk onderwijs hoe ook genaamd er blijve buitengesloten.
De Secretaris der Schoolcommissie (get.) G.A. de Raadt.

nr. 140 (5-4-1852) Frederik te Boekhorst, hulponderwijzer (2e rang);

nr. 141 (5-4-1852)
... b) De Zondagsschool welke des zomers wordt bezocht door plus minus 70, en des winters 100 leerlingen. Het Onderwijs op dezelve is zeer goed.
c) School voor de Zeevaartkunde. Het gemiddeld getal leerlingen is 10 en het Onderwijs zeer voldoende.
Nog bestaan hier ter Stede andere inrigtingen van Onderwijs, als de Stads-bouwkundige teekenschool, de Gymnastieschool en de Stedelijke Muzijkschool; doch deze scholen staan niet onder het ebstuur of toezigt der Commissie en zij is alzoo buiten magte daarvan de gevraagde bijzonderheden medetedeelen.
3) Schoolonderwijzers-gezelschap. Er bestaat alhier eene afdeeling van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap welke 13 leden telt, en een Odnerwijzers gezelschap bestaande....;

nr. 143 (28-4-1852) P. Dijksterhuis, D. Bisschop, C.M. Dicke;
nr. 144 (1852) J.S. Lotsij, ontslag als administrateur openbare stadsschool (15 jaar lang gedaan);
nr. 145 (30-6-1852) J.G. Veltman;
nr. 155 (3-1-1853) mej. Juliana Cornelia Schreuders, te Dordrecht, huisonderwijzeres in de talen;
nr. 164 (5-1-1853) houders bewaarschool: J.C. Govers, B.C. Straatman/Scheers, A.C. Schreuders, W.M. v.d. Hummel/v.d. Berge;

nr. 229 (11-2-1854)
....(folio 272) dat zij de School niet lang genoeg bezoeken, terwijl het bovendien niet zelden gebeurt dat wanneer zij tot eene nadere aanneming worden verwezen, later het geheele Schoolgaan achter wege blijft.
De nadeelige gevolgen welke uit een en ander voortspruiten, zullen wel geen bijzondere aanwijzing behoeven. Wat men in het bezit van meerdere Schoolruimte, veel darvan zou kunnen worden voorgekomen.
Zoo de vergrooting van het Schoollocaal mogt tot stand komen, dan zou de Commissie al verder gelegenheid vinden aan het onderwijs eene andere, en zoo zij vertrouwt betere rigting te geven, vooral op dat de meisjes dezer School meer overeenkomstig hare behoefte gevormd en onderwezen worden. men zou in dat geval de meergevorderde leerlingen van beiderlei kunne van elkander willen afscheiden, een maatregel die de ondervinding als allezins heilzaam schijnt aan te bevelen. Het onderwijs toch, zoo als het thans is ignerigt, laat wel het meisje nog veel te wenschen over. Zij heeft niet de vorming van den jongen noodig, en deze niet die van het meisje. Het onderwijs in rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde kan en mag voor beide niet hetzelfde zijn. De onderwijzer moet zich nu te veel naar de Jongens schikken, om hunne aandacht levendig te houden en hun de gelegenheid te ontnemen van wanorde te stichten. Schiks de onderwijzer zich, in gelijke mate ook naar de behoefte der meisjes, de Jongens luisteren niet en geven zich aan Kwaaddoen of hunne Speelzucht over. De ervaring leert het bijna elken dag, dat vooral in de hoogste Klassen het onmogelijk is, voor beide te gelijk op dezelfde wijze nuttig te zijn.
De ondervinding heeft verder doen zien, dat de meisjes over het algemeen veel korter ter Schole Komen. In de huisgezinnen, moeten zij dikwel hulp bewijzen, blijven dus menigmaal afwwezig en ook verlaten zij de School veel te vroeg. Men zou menig voorbeeld kunnen bijbrengen, dat zij op den leeftijd van 7 1/2 jaar werden aangenomen te wijl zij op den ouderdom van 9 of 10 Jaren de School alweder verlieten, om ze te verwisselen met den naaiwinkel. Trekt men nu van dien leertijd nog af, de dagen dat zij door ziekte of huisselijke omstandigheden afwezig bleven, hoe gering is dan de tijd die zij onderrigt ontvingen. Wanneer de School eenmaal verlaten is, gaat van het geleerde Spoedig nog veel verloren.
De Jongen gaat veelal op de avondschool het geleerde nog eenigen tijd onderhouden of vindt later op de herhalingschool nog gelegenheid zulks te herhalen. Maar het meisje bezoekt deze inrigtingen niet. Vele ouders zijn bepaaldelijk tegen het bezoek der avondschool omdat zij het bijeen zijn van Jongens en meisjes, op meergevorderden leeftijd bij het terugkomen naar de woningen ongepast rekenen en strijdig met de zeden. Zoo lopen vele omstandigheden te zamen, waardoor de meisjes in hunne wetenschappelijke vorming zeer ten achteren blijven.
Maar het zijn vooral de zoo even genoemde brei- en naaiwinkels, waaraan het Schoolonderwijs veel te Spoedig wordt opgeofferd.
(folio 274) En van welken aard zijn deze inrigtingen? Meestal kleine vertrekken, waar de meisjes meer werkzaam zijn tot voordeel der naaivrouw dan tot eigene bekwaming. Van daar dat de kinderen er veel Jaren moeten verblijven, waartoe bij goed onderwijs nog niet de helft van dien tijd zou gevorderd worden. Tot ontwikkeling van het oordeel, het onderhouden en vermeederen van het aangeleerde op de School het verbeteren der zeden en de goede vorming van het ligchaam, bestaat in zulke verblijven volstrekt niets. De naaivrouwen zijn geheel onbekend met de regelen van opvoeding en onderwijs. Vele kinderen, die er gezond en regt van lijf en leden kwamen, komen er dikwijls scheef en ongezond van daan. Gesprekken worden gehouden die te zedelijkheid der meisjes ondermijnen, verkeerde lusten opwekken en den grond leggen van ligtzinnig- en losbandigheid. Kortom, zeer veel kwaads is aan het verblijf op die naaiwinkel te wijten.
Gewis na dit alles zal het wel geene meerdere toelichting behoeven, hoe wenschelijk het dis zoude zijn, dat aan de meisjes der minvermogende op deze school de gelegenheid kan worden geschonken om met slechts beter gevormd en onderwezen te worden in de gewone vakken van het lager onderwijs, maar ook in de voor haren stand noodzakelijke vrouwelijke handwerken, bewkaamheden die zij niet kunnen of mogen missen, zullen zij later voor zich zelven meer nuttig zijn, (maar ook de Matschappij zal er voor) en goede huismoeders worden.,
Bij behoorlijke uitbreiding der School kan ook in die behoefte worden voorzien en men mag als zeker aannemen dat de meeste ouders hoogst gaarne gebruik zullen maken van de gelegenheid, door welke hunne dochtertjes op eene betere wijze dan op de gewone naaiwinkels, en in korteren tijd, het breijen en naaijen kunnen aanleren, zonder dat het Schoolonderrigt daardoor wordt te kort gedaan. De Kinderen zullen langer op de School verblijven en de vorming kan op eene betere en meer volledige wijze geschieden. Niet alleen zullen zij voor zich zelven meer nuttig zijn, maar ook de Maatschappij zal er voordeel van genieten.
Om velerhande en zeer gewigtige redenen is dus de vergrooting en verbetering van de localen der Openbare StadsSchool noodzakelijk te achten.
Wij weten het dat de eerlang opterigten school der Roomsch Katholijken vermoedelijk wel ten gevolge zal hebben dat de 60 bedeelden van die geloofsbelijdenis de gemeenteschool weldra zullen verlaten, maar zulks wijzigt niet in het minst onze beschouwing over deze zaak.
Indien toch het reglement wordt nageleefd, zoo als behoort, en alle Kinderen van zesjarigen leeftijd worden toegelaten, hetgeen reeds veel te lang ten schade der Jeugd niet heeft kunnen plaats hebben, dan zal men zeer spoedig het getal van 500 leerlingen weder bereiken, ja, welligt overschrijden. Door het vertrek dier Kinderen zullen alzoo slechts eenige plaatsen openvallen voor hen die daarop reeds vroeger billijke aanspraak hadden.
Nietegenstaande deze omstandigheid blijft dus eene voorziening in deze gebiedend....;

nr. 253 (5-3-1854) Bijlagen. Een.
Dordrecht, den 5 Maart 1854.
De alhier gevestigde onderwijzer A. Bek heeft zich bij adres gewend aan den Gemeenteraad van Dordrecht, verzoekende dat hem meer worden toegestaan, om aan zijn onderwijs in de zeevaartkunde meerdere uitbreiding te geven, omder toezeggingn van eene hoogere toelage uit de Gemeentekas in welke geval hij afstand zou willen doen van zijn bijzonderen School der tweede Klassen.
Dit verzoekschrift is door den heer Burgemeester in onze handen gesteld, met uitnoodiging om hierop te dienen van berigt en raad. Om nu hieraan naar behooren te kunnen voldoen, veroorlooven wij ons Uwe tusschenkomst bij deze beleefdelijk interoepen.
Het is ons bekend, dat genoemde Bek in het jaar 1841 werd benoemd tot huisonderwijzer in de Stuurmanskunst, onder toekenning aan hem van eene Jaarlijksche Stedelijke toelage van f 100 en dat sedert dien tijd tot op heden door hem onderwijs in die wetenschappen is gegeven welke vruchten evenwel dit onderwijs heeft opgeleverd en of er noodzakelijkheid bestaat of wel het belang der ingezetenen vordert, dat het onderwijs meerdere uitbreiding erlangt, wij achten ons niet in staat om hierover een juist oordeel te vellen. Daar echter uwe Vergadering uit den aard der zaak met deze omstandigheden meer bekend zal zijn, zoo hebben wij de eer UE. met de meeste bescheidenheid te verzoeken, om ons Uwe denkbeelden over deze zaak te willen mededeelen en die inlichtingen te geven. Welke ons in deze nuttig zouden kunnen zijn.
Opdat hetgeen de adressant wenscht door Uwe Vergadering juist kan beoordeld worden, voegen wij hierbij een afschrift van het door hem ingediend request.
De Plaatselijke Schoolcommissie.

nr. 256 (18-3-1854) J.H. Peetsold;

nr. 312 (10-3-1855) Dordrecht, den 10 Maart 1855.
De Plaatselijke School commissie, belast met het bestuur der openbare stadsschool [in het Hof (Statenzaal); afgebroken 1906; 'Centenschool'; gemeenteschool no. 2] meent zich te mogen vleijen, dat de in het afgeloopen Jaar bijgebouwde Schoolruimte zeer spoedig ten dienste dezer inrigting zal kunnen worden aangewend. Inmiddels is zij werkzaam geweest tot regeling der aangelegenheden welke uit den aard der zaak uit die vergrooting voortvloeijen en bij het beshcikken voor die meerdere ruimte noodwendig voorziening behoeven. Daaronder ook behoort, dat zij thans Uwe Vergadering nadert tot het bekomen eener magtiging, welke haar in het belang dezer inrigting raadzaam voorkomt.
(folio 360) Door de uitbreiding van het Schoollocaal hoopt de Commissie ook dit te zullen verkrijgen, dat de meisjes der minvermogenden op deze School meer overeenkomstig here behoeften kunnen gevormd worden en onder die behoeften rekent zij mede dat er gelegenheid worde gegeven tot het aanleeren van de voor haren stand noodzakelijk vrouwelijke handwerken, bekwaamheden die zij niet kunnen of mogen missen, zullen zij later voor zich zelven meer nuttig zijn of eenmaal goede huismoeders worden. De velerhande redenen die er bestaan, waarom het noodzakelijk schijnt dat op deze School zoodanige gelegenheid geboren worde heeft de Commise zeer osmtandig uiteengezet in hare uitvoerige missive van den 11 februarij 1854 no. 229 en zij vermeend alzoo met betrekking tot dit punt UEA daarnaar te mogen verwijzen
Alvorens echter tot uitvoering van eenigen maatregel van bedoelden aard overtegaan heeft zij gemeend hierin uwe vergadering te moeten kennen, en zulks omdat het bewusten onderwijs niet is begrepen in art 18 van het Reglement voor de Openbare Stadsschool. Zij is echter van oordeel om voor als nog geene wijziging van dat Reglement aan UEA te moeten voorstellen en wel wijl zij het beter acht hier mede te wachten, tot dat de ondervinding zal geleerd hebben, welke verandering of uitbreiding op den duur als noodzakelijk en nuttig mag gerekend worden. De Commissie zou daarom wenschen in den door haar bedoelde geest met eene proefnemeing binnen bepaerkte grenzen aan te vangen, en zulks door aan de oudste meisjes in Jaren en die daarvoor geschikt geoordeeld worden, onderrigt te laten geven in eenvoudig breijen en naaijen en dat op zoodanige wijze als haar na rijpe overweging uitvoerbaar zal voorkomen om later, wanneer men na eenig tijdsverloop door de ervaring zal zijn voor gelicht, met betrekking tot het Reglement zoodanig voorstellen aan UEA te doen als dan blijken mogten raadzaam te zijn.
En het is om deze redenen, dat de Commissie met vertrouwen van Uwe vergadering verzoekt, om aan haar magtiging te willen verleenen tot de zoo even door haar omschreven proefneming
Namens de Plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht
tevens belast met het bestuur der openbare Stadsschool. De Secretaris (get.) G.A. de Raadt.

[bron: SAD 121 (plaatselijke schoolcommissie lager onderwijs), inv. 13 (kopieboek 1828-1855)]
* * *

- (314; 23-3-1855) L. Reus, ondermeester Nederd. Herv. Diaconieschool;
- (315; 7-4-1855) C.M. Dicke, P. Dijksterhuis (1853 geopend);
- (316; 3-5-1855) bijzondere school 1e klasse P. Dijksterhuis; G. van der Velden;
- (317; 5-5-1855) openbare stadsschool, leerlingen Wilhelmina Romijn, Helena vcan Dijl, Frederik Smitskamp;
- (318) P. Dijksterhuis;
- (319; 9-5-1855) vaccine bewijzen scholen van P.M. v.d. Riviere, J.A.C. Los, mej. M.M. Hofman wed Smaasen, J.C.S. de Vries geb. Kretschmer, C.C.J. Nunnink;
- (322) mej. B.C. Straatman-Scheers, M. v.d. Hummel-v.d. Berge;
- (327; 17-7-1855) H.R.F.J. Orth, hoofdonderwijzer school Ver. der H. Vincentius;

- (344; 18-7-1855) Aan de Edel Achtbare heer Burgemeester van Dordrecht.
Dordrecht, den 18 Julij 1855.
De plaatselijke Schoolcommissie alhier als belast met het bestuur der Openbare Stadsschoo, heeft ontvangen UEA missive, houdende mededeeling dat door den Gemeenteraad aan haar magtiging is verleend, om op gemelde school bij wijze van proefneming onderrigt te laten geven in eenvoudig breijen en naaijen, met Kennisgeving echter dat, indien zulks eenige finantiŽle bezwaren mogt opleveren hiervoor op de begrooting van het loopende Jaar geene gelden beschikbaar zullen zijn.
De Commissie heeft gemeend deze Uwe missive niet geheel onbeantwoord te mogen laten. Zij acht zich toch verpligt om te deze gelegenheid UEA met bescheidenheid te moeten herinneren, dat de bijbouwing van een derde lokaal aan deze School onvermijdelijk uitbreiding van het onderwijzend personeel heeft gevorderd zoodat het in gebruik nemen van dit nieuwe lokaal reeds gedurende dit jaar eene niet onaanzienlijke meerdere uitgaaf zal ten gevolge hebben, waardoor de behoeften der School niet door hare inkomsten zullen kunnen worden bestreden. Het Cijfer dier meerdere niet te vermijden uitgaven, hoopt echter de Commissie ook bij toepassing der proefneming in breijen en naaijen, niet te overschrijden, en zij geeft zelfs gaarne de verzekering dat zij het geldelijk beheer zoodanig zal trachten interigten dat daarvoor in den loop van dit jaar, indien zulks maar eenigszins mogelijk is, geene geldelijke aanvraag zal behoeven te geschieden, doch zij acht zich mede verpligt UEA reeds nu indachtig te maken dat het noodzakelijk zal zijn om op de volgende gemeentebegrooting eenen post te brengen voor de meerdere uitgaven, welke deze inrigting van onderwijs vordert.
De plaatselijke Scholcommissie als belast met het bestuur der openbare Stadsschool namens deze (get.) G.A. de Raadt.

- (345; 1-8-1855) A.N. van Pellecom (gymnasium);
- (347; 18-8-1855) leerling Willem Kooijman, stadsschool;
- (349; 11-9-1855) G. de Braal, ondermeester;
- (355; 11-1-1856) leerlingen Jan Nienkemper en Jenneke Mijnders;
- (356; 11-1-1856) leerlingen Geertrui Hendriks, Jacobus Hendriks, Johs. Martinus Schrijnemakers, Jacoba de Wit, Maria de Wit, Laurentius Willemen;
- (371; 30-1-1856) mej. J.C. Govers en A.E. Schreuders (zie pag. 24);
- (379; 1-2-1856) A.C.J.M. Conelli en F.L. Golterman, bewaar-kleinkindschool R.K.;

- (381; 4-2-1856) Dordrecht den 4 Februarij 1856.
Ter voldoening aan UEA missive van den 11 December 1852 No 1007/662 E, houdende uitnoodiging om jaarlijks voor den 15 Februarij verslag te doen van de onder ond beheer staande openbare Stadsschool en stedelijke bewaarschool, hebben wij gemeend UEA met betrekking tot deze inrigtingen van Onderwijs over het afgeloopen Jaar 1855, het navolgende te moeten berigten:
1) De Openbare Stadsschool op 15 Januarij 1855 bedroeg het getal leerlingen 449, waaronder 205 jongens en 197 meisjes. De avondschool werd gemiddeld bezocht door 70 jongens en 20 meisjes die meerendeels ook de dagschool bezochten. Eindelijk beliep het aantal van Roomsch-Catholijk bedeelde ouders, die kosteloos onderwijs ontvangen, op 15 Januarij 45 en op 15 Julij 20, zijnde deze in het hierboven vermelde hoofdcijfer begrepen. Daar in de laatst voorgaande Jaren altijd p.m. 500 Kinderen deze School bezochten, zoo blijkt uit deze opgaaf dat het aantal leerlingen in het afgeloopen Jaar zeer belangrijk is afgenomen. Eene voorname oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat onderscheidene Kinderen deze inrigting verlieten omdezelve te verwisselen voor de alhier gevestigde bijzondere Scholen der 1e Klasse van Vincentius van Paulo en P. Dijksterhuis c.s. 
Het getal Kinderen van Roomsch Catholijk bedeelde ouders, dat vroeger doorgaans 60 ŗ 70 beliep, is hierdoor tot op 20 teruggebragt. Anderdeels moet deze vermindering der Schoolbevolking worden toegeschreven aan den zoo hoogen prijs der levensmiddelen, waardoor vele Ouders verhinderd worden het Schoolgeld hunner Kinderen te voldoen, en deze van de School wegbleven, terwijl bij de drie maandelijksche aanneming vvan nieuwe leerlingen om dezelfde reden slechts voor een zeer klein aantal toegang werd gevraagd. Lettende op de redenen welke deze vermindering der School Jeugd hebben veroorzaakt, meent men zich met grond te mogen vleijen, dat ze slechts van tijdelijken duur zal zijn.
De Staat van het onderwijs op deze School mag steeds uitnemend genoemd worden. Het onderwijzend personeel heeft met naauwgezetheid zijne pligten vervuld; hoewel in den aanvang van het jaar eenigzins zwak in aantal, heeft dit later gewenschte aanvulling bekomen
Het nieuwe bijgebouwde Schoollocaal werd in de maand Mei in gebruik genomen; het beantwoordt vrij wel aan de verwachting, en heeft vooral veel bijgedragen om eenige hoog noodige en lang gewenschte verbeteringen in de inrigting der School te Kunnen invoeren. Zoo heeft men de meergevorderde leerlingen van beiderlei kunne van elkander kunnen afscheiden, welke maatregel zich allezins aanbeveelt, daar thans elk hunner meer naar zijne eigenaardige behoefte kan gevormd en onderwezen worden. En hieronder behoort ook dat thans aan de meisjes gelegenheid is gegeven tot het aan leeren van de voor haren stand noodzakelijke vrouwelijke handwerken, bekwaamheden die zij niet kunnen en mogen missen, zullen zij later voor zich zelve meer nuttig zijn of eenmaal goede huismoeders worden. De eerste proefneming op dit terrein binnen zeer beperkte grenzen ondernomen geeft aanvankelijk zeer bevredigende uitkomsten.
De geschiedenis dezer school over 1855, bevat dus naar het oordeel der Commissie weder om in menig opzigt Stof tot tevredenheid op
2) De Stedelijke Bewaarschool Het onderwijs op deze school werd geregeld voortgezet, zij mag ten opzigte van hare inrigting en opleiding der Jeugd vrij goed genoemd worden. Ten gevolge van het onderwijs dat voortdurend door den heer Schenk wordt gegeven, werd steeds beter en gemakkelijker vorozien in de betrekking van hulponderwijzeressen. Het aantal leerlingen beloop gemiddeld 260 en bedroeg alzoo 40 minder dan in het vorige Jaar. Men meent ook dit te moeten toeschrijven aan de verarming van vele gezinnen, bij de duurte der levensmiddelen; niet weinigen zagen zich daardoor verpligt tot de Diakoniebewaarschool toevlugt te nemen, waar het getal onbedeelden reeds tot 253 stegen is. Ook hielden verschillende kinderziekten, in den nazomer gedurende een aantal weken vele kinderen terug. Bij het verdwijnen dezer oorzaken, mag men zich vleijen dat de bevolking dezer School ook wederom spoedig haar vroeger standpunt zal bereiken. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (383; 20-2-1856) openbare stadsschool
15/1 235 jongens, 214 meisjes=449 (45 RK)
15/7 205 jongens, 197 meisjes-402 (20 RK)
- (387; 26-2-1856) Willem Visser, ondermeester diaconiescool, huisonderwijzer Stuurmanskunst, J. van Nassau en J.G. Kunst;
- (390; 9-4-1856) Jan Henning, huisonderwijzer (te Alkmaar), koster Evang. Luth.;
- (391; 9-4-1856) Lodewijk Rijnenberg, secondant Fr. Holl. School van Los.
- (393; 12-4-1856) Neeltje van Rijswijk, Frans van Herwijnen;
- (395; 28-6-1856) G.W. de Boo, H. van Waardhuizen;

- (396; 28-6-1856) (Aan den heer J. Schenk hoofdonderwijzer op de Nederduitsche Meisjesschool)
Dordrecht, den 28 Junij 1856.
Niettegenstaande onze missive van den 2 Februarij 1856, en niettegenstaande de ernstige vermaningen U in onze vergadering van den 28 April l.l. mondeling voorgehouden, is het onderwijzend personeel op Uwe School tot hiertoe op denzelfden voet gebleven, en overtreedt gij daardoor voortdurend art 3 uwer instructie. Om velerhande redenen U volkomen bekend, betreurt de Commissie ten hoogste deze Uwe handelwijze, en zij ontveinst het U niet langer, dat zij zich hierdoor bitter ziet teleurgesteld in de goede verwachtingen die zij van U meende te mogen koesteren, toen gij vooral door hare tusschenkomst, aan het hoofd van deze inrigting geplaatst werd.
Nadat zij zoo hehraaldelijk en met den meesten aandrang U over deze zaak heeft onderhouden en alle hare pogingen tot hiertoe geheel vruchteloos zijn gebleven, kan zij uwe handelwijze ten laatste aan niets anders dan onwil of eigenzinnigheid toeschrijven, en zij rekent zich verpligt, in het belang der jeugd en met het oog op de bedoeling waarmede Uwe inrigting van Onderwijs werd geopend, door de meest krachtige maatregelen te zorgen, dat Uwe isntructie meer getrouw worde nageleefd, en Uwe School aan hare bedoeling beantwoord weshalve U alsnu wordt aangezegd dat zoo niet binnen den tijd van 14 dagen eene geŽxamineerde en allezins geschikt onderwijzerres door U wordt aangenomen, de Commissie alsnu de schording in Uwe betrekking aan de bevoegde magt zal voordragen, waarvan gij alsdan de velerhande treurige gevolgen geheel aan U zelve zult te wijten hebben. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (424; 11-10-1856) Willem Baar, huisonderwijzer;
- (445; 2-2-1857) Isr. kerkbestuur, opbouwen onderiwjzerswoning;

- (446; 9-2-1857) Dordrecht, den 9 Februarij 1857.
Ter voldoening aan UE Achtb. missive van den 29 december 1856 no 1229/727 houdende uitnoodiging om aan den Gemeenteraad verslag te doen van den toestand der onder ons beheer staande Openbare Stadssschool en Stedelijke bewaarschool over het afgeloopen jaar 1856, hebben wij gemeent het navolgende te moeten berigten:
1) Openbare Stadsschool. Het getal leerlingen die op deze School Onderwijs ontvingen was als volgt:
op 15 Januarij 192 jongens en 188 meisjes, in het geheel 380;
op 15 Julij 194 jongens en 180 meisjes, in het geheel 374.
Hieronder bevonden zich op 15 Januarij 15 en op 15 Julij 14 kinderen van Roomsch-Catholijk bedeelde ouders, die Kosteloos worden onderwezen. De avondschool werd bezocht:
Op 15 Januarij door 54 jongens en 5 meisjes in het geheel 58.
op 15 Julij door 50 jongens en 4 meisjes in het geheel 54.
Deze avondleerlingen bezochten ook meerendeel de dagschool.
Uit deze opgaaf blijkt, dat het aantal leerlingen op deze School ook in het nu afgeloopen Jaar nog eenigszins is blijven afnemen.
De hoop, welke men vroeger koesterde, dat deze vermidnering slechts van tijdelijken aard zou zijn, is alzoo niet verwezenlijkt. Eensdeels moet de reden hiervan gezocht worden in de bijzondere Scholen der 1e klasse welke in de laatste Jaren werden opgerigt, maar voornamelijk bleef de steeds hooge prijs der levensmiddelen, naar onze meening ook dit Jaar een hinderpaal, waardoor vele ouders verhinderd waren het Schoolgeld hunne Kinderen te voldoen en deze dus van de School wegbleven of dezelve volstrekt niet bezochten.
De Commissie hield hare gewone zittingen bij het reglement voorgeschreven, tot het aannemen van nieuwe leerlingen en om dezulken te ontslaan, die de school wenschten te verlaten.
De toestand van het onderwijs mag voortdurend uitnemend genoemd worden, en wij meenen niet te veel te zeggen door te beweren, dat in dit opzigt deze inrigting van onderwijs met elke andere van dien aard kan wedijveren.
De afscheiding van de meergevorderde leerlingen van beiderlei kunnen bleef aanvankelijk bevredigende vruchten dragen; vooral de meisjes kunnen nu meer naar hare eigenaardige behoeften gevormd en onderwezen worden. Wanneer wij te dezer zake genoegzaam door de ervaring zijn voorgelicht hopen wij met betrekking tot het reglement zoodanige voorstellen te doen als dan blijken zullen noodig te zijn.
De hoofdonderwijzer werd in de vervulling zijner moeijelijke taak bijgestaan, door 3 ondermeesters allen bezitters van den 2den rang en 4 kweekelingen benevens 3 hulponderwijzeressen, aan welke tevens het onderrigt in naaijen en breijen was opgedragen. Dit personeel onderging alleen deze vernadering dat de eerste ondermeester dezer School W.J. van der Straaten, die aan deze inrigting zijne voornaamste vorming ontving en aldaar gedurende onderscheidene Jaren met lof werkzaam bleef, in het begin des Jaars werd beroepen en aangesteld tot hoofdonderwijzer te Zalt Bommel, in welke vacature weder op zich voldoende wijze is voorzien.
Hetgeen overigens bij ons vorig verslag ten aanzien van het onderwijzend personeel werd medegedeeld, kan weder herhaad worden; zij bleven op loffelijke wijze vorotgaan de hun toevertrouwde belangen te behartigen.
Levert dus de geschiedenis dezer School over 1856 ook in menig opzigt weder stof tot tevredenheid op wij mogen echter dit verslag neit eindigen zonder den wensch te ontboezemen dat er maatregelen konden beraamd worden om deze zoo heilzame inrigting van onderwijs door meerdere Kinderen te doen bezoeken, waartoe de nog kortelings verkregen, uitbreiding van het Schoollokaal thans zoo ruimschoots de gelegenheid aanbiedt en nog te meer wordt men tot dien wensch genoopt, wanneer men als zeker mag aannemen, dat nog zeer vele kinderen van minvermogenden binnen deze gemeente geheel van onderrigt of althans van goed onderwijs verstoken zijn.
2) Stedelijke bewaarschool. Het aantal kinderen ....;

- (481; 7-11-1857) Elizabeth Hermina Logger, hulponderwijzeres diaconie bewaarschool;
- (482; 21-12-1857) secondant Frahm;

- (483; 25-11-1857) Dordrecht, den 25 November 1857.
De plaatselijke Schoolcommissie is van onderscheidene zijden geinterpelleerd omtrent den bouwvalligen toestand, waarin het schoolgebouw der Nederduitsche Meisjesschool van den onderwijzer Schenk verkeeren. De Commissie kan niet beoordeelen, in hoeverre de vrees van vele vaders werkelijk gegrond is, en of inderdaad een langer verblijf in dit huis voor de Jeugd gevaarlijk moet geacht worden, terwijl zij bovendien casu quo niet bij magte zou wezen, om het voortdurend Schoolhouden in bedoeld locaal te beletten. Daar echter die bezwaren met klimmenden aandrang ter harer Kennis komen en het uiterlijk aanzien van bedoeld gebouw deze eenigerzints schijnen te regtvaardigen, heeft zij gemeend op deze zaak de bijzondere aandacht van UEA te moeten vestigen, opdat door UEA tusschenkomst zulke maatregelen worden beraamd, als tot afwering van een bestaand gevaar, of wel ter geruststelling van bezorgde ouders, nuttig mogten worden geoordeeld. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (484; 4-12-1857; aan J. Schenk, hoofdonderw. Nederd. Meisjesschool) Dordrecht den 4 December 1857.
Naar aanleiding van bij ons ingekomen berigten, omtrent den bouwvalligen toestand van Uw Schoollocaal, hebben wij ons verpligt gerekend hierop de aandacht te vestigen, van den heer Burgemeester dezer Stad, opdat door Z.E. Achtb. tusschenkomst zoodanige maatregelen mogten worden beraamd , als het afwering van een bestaand gevaar, of wel ter geruststelling van bezorgde ouders, nuttig werden geoordeld. De heer Burgemeester heeft dien ten gevolge onverwijld een onderzoek doen instellen, door twee deskundigen, die van hunnen bevinding een behoorlijk procesverbaal hebben opgemaakt, en waaruit blijkt, dat bedoeld pand, vooralsnog zonder gevaar schijnt te kunnen bewoond worden. Wij zenden U hierbij een afschrift van gemeld verbaal, ten einde daarvan te geruststelling der ouders, zoodanig gebruik te maken als door U wenschelijk wordt geoordeeld. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (486; 24-12-1857) Gerrit Moolenberg, onderwijzer te Dordrecht;
- (3; 8-1-1858) Jacoba Cornelia Albers, hulponderwijzeres RK bewaarschool;

- (5; 25-1-1858) Dordrecht den 25 Januarij 1858.
Ter voldoening aan dne inhoud der missive van den Edel Achtbaren heer Burgemeester dezer gemeente dd 24 December 1857, no. 1327/706, hebben wij de eer UE Achtb. bij deze verslag te doen van de onder ons beheer staande Openbare Stadsschool en Stedelijke bewaarschool over het afgeloopen jaar 1857. Daartoe overgaande meenen wij het navolgende te moeten berigten.
1) Openbare Stadsschool. Het getal leerlingen die op deze School onderwijs ontvingen, was aldus
Op 15 Januarij 288 jongens en 173 meisjes te zamen 373.
Op 15 Julij 215 jongens en 196 meisjes te zamen 409.
Hieronder bevonden zich op 15 Januarij 6 leerlingen die kosteloos werden onderwezen, als zijnde Kinderen van bedeelde ouders; het waren 3 jongens en 2 meisjes behoorend tot de Roomsch Catholijke Kerkgemeente en een meisje van de R.C. Bisschoppelijke Clerezij. Op 15 Julij waren er slechts 3 zulke leerlingen, als twee van eerstgenoemde en ťťn van laatstgenoemde kerkgemeente.
De avondschool werd bezocht:
Op 15 Januarij door 63 jongens en 2 meisjes in het geheel 65;
Op 15 Julij door 71 jongens en 7 meisjes, in het geheel 78.
De avondleerlingen van 15 Januarij bezochten allen tevens de dagschool; onder die van 15 Julij waren er slechts 2, welke niet tot de dagleerlingen behoorden.
Uit deze opgaaf zal men gewis met genoegen ontwaren, dat de Schoolbevolking in den laatsten tijd weder eenigszins is toegenomen. Op 15 Januarij 1857 waren er ongeveer evenveel kinderen als op 15 Januarij en 15 Julij 1856, maar op 15 Julij bespeurt men een vrij aanmerkelijk verschil met datzelfde tijdstip van het vorige Jaar, immers toen telde de School 374 leerlingen en nu 409. Men hoopt dat dit verblijdend verschijnsel duurzaam moge zijn.
Als naar gewoonte hield de Commissie hare gewone zittingen bij het reglement voorgeschreven, tot het aannemen van nieuwe leerlingen, en om ontslag te verleenen aan hen die de School wenschten te verlaten.
De toestand van het onderwijs mag voortdurend zeer goed en doelmatig genoemd worden. Op de eigenaardige behoeften van de alhier schoolgaande Jeugd wordt steeds naauwkeurig acht gegeven; zonder te groote uitbreiding der bijzondere vakken van het Onderwijs, beijvert men zich steeds om degelijke verstandsontwikkeling en eene goede zedelijke opleiding te bevorderen. De uitkomsten hiervan zijn allezins bevredigend. Het onderrigt in naaijen en breijen voor de meergevorderde meisjes werd voortgezet en schijnt goede vruchten te dragen. Tot het onderwijzerspersoneel genaderd zijnde, behoort tot de geschiedenis dezer school de vuurige herinnering, dat in den loop van dit jaar aan haar is ontvallen, de zeer verdienstelijke hoofdonderwijzer Hendrik van Helden, die op den 17 Mei, na eene langdurige ognesteldheid, in den ouderdom van 49 jaren overleed. Van af de oprigting dezer school en alzoo gedurende 20 jaren, bekleedde hij deze betrekking. Hij was een kundig, ijverig, en echt prakticaal onderwijzer, en heeft de vele pligten aan zijn moeijelijk ambt verbonden, steeds met getrouwdheid vervuld zoodat zijn dood inderdaad een groot verlies voor deze inrigting moet genoemd worden. In de tijdelijke waarneming is terstond voorzien, en is de vergadering van den gemeenteraad van den 25 Augustus werd tot zijnen opvolger benoemd, Johannes van Heumen, bezitter van den 2en rang en eerste ondermeester op deze School die als zoodanig zonder vergelijkend examen is aangesteld, nadat daartoe door den heer Minister van Binnenlandsche Zaken, bij dispositie van den 1 December 1857, de vereischte magtiging was verleend. Nevens den hoofdonderwijzer was het onderwijs opgedragen aan 3 hulponderwijzers van den 2en rang en 5 kweekelingen benevens 3 hulponderwijzeressen, waaronder eene met een acte van toelating. Het onderrigt in breijen en naaijen werd gegeven door ywee van deze hulponderwijzeressen daarin bijgestaan door nog eenen derde vrouwelijk adsistente. Zij allen hebben de hun toevertrouwde belangen naar wensch behartigd. Met hoogen lof echter moet gevraagd worden van de drie hulponderwijzeressen zoo wegens de langdurige ongesteldheid van den hoofdonderwijzer, als de daarop gevolgde vacature, werd het geheele jaar meer dan gewone inspanning van hen gevorderd. Zij hebben met grooten ijver gearbeid en alles gedaan wat in hun vermogen was, om hunne moeijelijke taak naar behooren..; 

- (57; 3-3-1858) R.K. Kinderbewaar- en Meisjes Leer en Werkschool, Wijnstraat D159, Maria Schellart;
- (71; 4-6-1858) Cornelis Bijleveld;
- (75; 4-6-1858) C.C.J. Nunnink, hoofdonderwijzeres Franse Meisjesschool, Maria van der Burg;
- (80; 1-7-1858) Hermanus Hendrikus Scholte;
- (89; 8-10-1858) Johannes Wilhelmus Petersen;

- (101; 4-12-1858) Dordrecht den 4 December 1858.
Ter voldoening aan UEA verlangen, uitgedrukt in Uwe missive van den 11 November 1858 no. 1199/643, heeft de platselijke Schoolcommissie de eer, UEA hierbij toetezenden ontwerp instructies voor J.C.S. de Vries geb Kretschmer en M.M. Hofman, wed. H. Smaasen, als hoofd onderwijzeressen van bijzondere meisjesscholen, die door de gemeente gesubsidieerd worden.
Deze isntructies ontleenen haren grondslag uit art 3 a.al. 3 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103) alwaar de bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden aan het gemeentebestuur is verleend. Hare voorschriften wijken alleen in zoo verre van vroegere af, als in verband met de nieuwe wet raadzaam scheen, of ten gevolge van verkregen ervaring, in het belang van onderwijs en opvoeding noodzakelijk voorkwam. De bepalingen zijn overigens zoo eenvoudig van aard dat zij geene meerdere toelichting schijnen te vereischen zoodat de Commissie zich vleit heirmede aan UEA verzoek te hebben voldaan. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (102; 4-12-1858) Dordrecht den 4 December 1858.
Ten gevolge op hare msisive van den 23 November l.l. no. 97 heeft de plaatselijke School Commissie de eer UEA te berigten, dat het bij haar een punt van naauwgezet onderzoek is geweest, op welke wijze het best zou kunnen worden voorzien in het onderwijzend personeel voor de handwerken, op de met 1 Januarij a.s. te openen armenschool. Krachtens art 22 van het onlangs vastgestelde reglement voor deze school, moeten die hulponderwijzeressen benoemd worden op de wijze bij de wet op het lager onderwijs bepaald. Volgens die wet nu zou hare benoeming behooren te geschieden door den gemeenteraad, en wel iedere onderwijzeres uit eene voordragt van drie personen, die eene akte van bekwaamheid bezitten in het vak, waar voor zij zullen optreden. Met dit voorschrift reeds dadelijk worden nageleefd, dan zal het op dit oogenblik volstrekt onmogelijk zijn om dit zoo heilzaam onderrigt te doen geven, daar zich voor als nog in onze gemeente geene personen bevinden, die in de handwerken voor meisjes geŽxamineerd zijn. Immers de gemeenteraad kan uit den aard der zaak geene hulponderwijzeressen benoemen, die niet de wettige bevoegdheid bezitten om als zoodanig op eene openbare School werkzaam te zijn. Er dient dus in dit tijdperk van overgang een middelweg te worden ingeslagen.
Het komt de Commissie na rijp beraad voor, dat in den tegenwoordigen Stand der zaak het meest geschikt zoude zijn, dat aan haar, als belast met het bestuur der School, werd opgedragen, om in dit onderwijs provisioneel zoo goed mogelijk te voorzien; zij zou in dat geval trachten om dit onderrigt op dezelfde wijze te doen geven, zoo als zulks tot hiertoe op de Stadsschool heeft plaats gehad. Men kon de naai- en breiinrigting voorloopig, als op zich zelve staande, beschouwen en zou daardoor bedenkingen van hooger autoriteit geheel afsnijden, welke bovendien minder te vrezen zijn, omdat men buiten twijfel met de bestaande moeijelijkheid bekend is, die niet alleen hier, maar overal elders zich doet gevoelen.
Ook bij de Stads-tusschenschool zal zich het zelfde bezwaar voordoen en zou men zich op de zelfde wijze kunnen redden.
Mogt UEA deze onze beschouwingen kunnen deelen, dan veroorlooven wij ons UEA in overweging te geven, aan den gemeenteraad voortestellen: "om, daar het niet mogelijk is op dit oogenblik geŽxamineerde onderwijzeressen voro het onderrigt in de handwerken aan te stellen, de plaatselijke School Commissie, als belast met het bestuur der Stads-armen Schol en tusschenschool, uittenoodigen of te magtigen om met 1 Januarij a.s. in dit onderwijs provisioneel op zoodanige wijze te voorzien als ij het meest raadzaaam zal oordeelen." De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (103) Elias Detelef Gerhard Frahm.

- (4; 4-1-1859) Dordrecht den 4 Januarij 1859.
Ten gevolge der magtiging aan de plaatselijke Schoolcommissie verleend, om het onderwijs voor de handwerken op de Stads-armenschool [NB. de diaconieschool (Vriezestraat) is in 1858 overgenomen door de gemeente Dordrecht], zoodanig te regelen, als zij het meest raadzaam zal oordeelen, heeft zij de eer UEA te berigten, dat zij provisioneel als onderwijzeressen daarvoor heeft aangenomen Mejuffrouw Dina Willemina Zahn, oud 40 Jaren en Angenita Kloppers, oud 29 jaren, beiden sedert 6 Jaren in dezelfde betrekking op de Diakonieschool werkzaam geweest.
Eerstgenoemde genoot als zoodanig een vast tractement van f 400 voorts de helft van het naailoon, doorgaans f 100 beloopende en bovendien vrij woning, vuur en licht. Daar echter haar werkkring thans van eenen geheel anderen aard wordt, heeft de Commissie gemeend hare Jaarwedde te moeten bepalen op f 100 zonder meer, met vrij gebruik van het aan de School grenzende huisje, hetwelk zij ook van de Diakonie, genoot en alzoo ook op dit oogenblik nog door haar gebruikt wordt.
De onderwijzeres Kloppers had een tractement van f 60 maar hare werkzaamheden waren ook van veel beperkter aard. Het is de Commissie toegeschenen, dat indien hare Jaarwedde op hetzelfde Cijfer bepaald bleef, dit billijk mogt genoemd worden.
Beide onderwijzeressen hebben zich bereid verklaard, om op deze wijze de bedoelde betrekkingen op de Stads-armenschool te blijven bekleeden.
Meer bepaald met het oog op de aan de eerste onderwijzeres toegezegde vrije woning, heeft de Commissie gemeend UEA goedkeuring op deze hare besluiten te moeten rvagen, alvorens aan dezelve geheele uitvoering te geven. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (10; 13-1-1859) Dordrecht den 13 Januarij 1859.
In overleg met Uwe plaatselijke Schoolcommissie heeft dezer dagen, de benoeming plaats gehad van eenige Kweekelingen op de Stads tusschenschool en armenschool, en zulks overeenkosmtig art. 22 a.l. 8 der wet van 13 Augustus 1857. Asl zoodanig zijn op eerstgenoemde School aangesteld: Chr. de Ronde, J.A. Kamberg, R.J. de Roo, P.H. Beets, H.J. Knaap en H. van Aardenne, en op laatstgemelde School G.J. Breedveld, L. van Dijl, J. Brussaard, R. Jonkers en L. van Dongen. Alle deze Kweekelingen waren reeds werkzaam op de Stadsschool in het Hof of op de nu opgeheven diaconieschool.
Naar aanleiding Uwer missive van 22 December l.l. in verband met art. 3 en 4 van het raadsbesluit van den 28 September 1858, heeft de Commissie thans de eer UEA te adviseren, om aan bovengenoemde Kweekelingen de volgende toelagen te verleenen:
Tusschenschool
Christina de Ronde (ook belast met onderwijs in handwerken) f 100
Jan Adrianus Kamberg (geboren 31 Januarij 1843) f 75
Robert Jan de Roo (geb. 3 Februarij 1842) f 50
Pieter Hermanus Beets (geb. 5 December 1842) f 50
Hendrikus Johannes Knaap (geb. 22 Julij 1843) f 44
Hendrik van Aardenne (geb. 4 September 1843) f 30
Armenschool.
Gerrit Johannes Breedveld (geb. 1 aug 1839) f 100
Leendert van Dijl (geb. 29 Sept 1842) f 75
Jacobus Brussaard (geb. 18 mrt 1843) f 40
Reindert Jonkers (geb. 26 nov 1843) f 40
Leendert van Dongen (geb. 14 aug 1846) f 25
Eindelijk heeft de Commissie de eer UEA te informeeren, dat zij de onderwijzeres in de handwerken, Mejufvr A.a H.a Reus, sedert ruim twee jaren als zoodanig werkzaam geweest op de Stads School in het Hof, in dezelfde betrekking heeft bevestigd op de met 1 Januarij geopende tusschenschool, op eene Jaarwedde van f 100. Wij meenen ons te mogen vleijen, dat deze handelwijze Uwe geheele goedkeuring zal wegdragen. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (24; 12-2-1859) Aan Mevrouw J.S.C. de Vries-Kretschemer hoofdonderwijzeresse.
Dordrecht den 12 Februarij 1859.
De plaatselijke Schoolcommissie, heeft ontvangen en onderzocht de door UE ontvangen en hierbij teruggaande voorstel van werkzaamheden voor Uwe School. Zij heeft daartegen volstrekt geene bedenkingen; - allen wenscht zij optemerken, dat het hare aandacht niet is ontgaan, dat aan het onderwijs in de handwerken 1/4 uur meer wordt toegewijd, dan de instructie veroorlooft. Zij acht echter dit verschil te onbeduidend, om daarin wijziging aan UE voortestellen, maar zij vertrouwt dan ook, dat dit onderwijs alsnu stiptelijk tot den aangewezen tijd zal worden beperkt. 
De Commissie meent thans de vrijheid tot beleefdelijk te verzoeken om die rooster in duplo aan haar terugtezenden; zij hoopt UE daarna een dier exemplaren te retourneren, nadat zij daarop van het overleg bij art. 3 uwe instructie vereischt zal hebben doen blijken. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (28; 25-2-1859) Willem Visser, zeevaartkunde;

- (29; 9-3-1859) Dordrecht den 9 Maart 1859.
Ten gevolge der magtiging aan de plaatselijke School Commissie vroeger verleend, heeft zij de eer UEA kennis te geven, dat zij het noodzakelijk heeft geoordeeld om aan het onderwijzend personeel in de handwerken op de Stads armen en tusschen School eene Kleine Uitbreiding te geven, zoodat zij als Kweekelinge heeft aangesteld: op de tusschenschool Gerarda Johanna Takken geboren 12 Junij 1842, en aan de armenschool Ottelina van Aarts, geboren 20 Februarij 1843, en Neeltje Pulleman, geboren 31 December 1843. De Commissie heeft wijders aan elk van deze Kweekelingen eene Jaarwedde van f 20 toegelegd, en zij meent zich te mogen vleijen, dat deze handelwijze Uwe goedkeuring zal wegdragen. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

[bron: SAD 121 (plaatselijke schoolcommissie lager onderwijs), inv. 14 (kopieboek 1855-1859)]

* * *

- (52; 3-5-1859) Dordrecht den 3 Mei 1859.
De palatselijke Schoolcommissie heeft de eer UEA medetedeelen, dat zij, krachtens vroeger verleende magtiging, aan Mejufvrouw A.H. Reus, op haar gedaan verzoek tegen 1 Junij a.s. een eervol ontslag heeft verleend als eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads-tusschensschool. Ter voorziening in die vacature heeft de Commissie de belanghebbenden opgeroepen, en, na voorlichting van dames Regentessen, tot eerste onderwijzeres in de handwerken op voormelde School aangesteld Mejufvrouw Petronella Adriana van den Heuvel, welke deze betrekking met 1 Junij a.s. zal aan: van den [-]. Alsnu gevolg gevende aan art. 14 van het reglement van hiergemelde School en in verband met de art 3 en 4 van het raadsbesluit van den 28 September 1858, heeft de Commissie de eer U.E.A. te adviseren, om aan voornoemde Mejufvrouw P.A. van den Heuvel eene Jaarwedde te verleenen van f 100 integaan met 1 Junij a.s. zijnde dit hetzelfde honorarium dat door de aftredende eerste onderwijzeres wordt genoten. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (53; 6-5-1859) Bartoldus Meilink, hulponderwijzer;

- (54; 13-5-1859) (aan mej Petronella Adriana van den Heuvel)
Dordrecht den 13 Mei 1859.
De plaatselijke Schoolcommissie alhier heeft het genoegen UE medetedeelen, dat zij UE benoemd heeft tot eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stadt-tusschenschool in het Hof, op eene Jaarwedde van f 100 integaan met 1 Junij a.s. en voorts op de isntructie zoo als die door den gemeenteraad is vastgesteld. De Plaatselijke Schoolcommissie. 

- (55; 13-5-1859) (Aan dames regentessen voor het onderwijs in de handwerken op de openbare Scholen te Dordrecht)
Dordrecht den 13 Mei 1859.
De palatselijke School Commissie alhier heeft de eer UEd medetedeelen dat zij tot eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads tusschenschool heeft aangesteld Mejufvrouw Petronella Adriana van den Heuvel. De benoemde zal deze betrekking aanvaarden met den 1 Junij a.s. en treedt in de plaats van Mejufvrouw A.W. Reus, die tegen gemeld tijdstip als zoodanig, op haar gedaan verzoek, eervol is ontslagen. De Plaatselijke Schoolcommissie.  

- (66) bijzondere school Gravenstraat.

- (75; 9-7-1859) Dordrecht den 9 Julij 1859.
Ter voldoening aan het verlangen geuit in Uw missive van den 2 Julij 1859 no. 622/415, om zoo spoedig mogelijk de vereischte voordragt te willen doen tot regeling der Jaarwedde van de hulponderwijzeres hulp-onderwijzeressen en Kweekelingen op de openbare Scholen van lager onderwijs overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad van den 19 Maart l.l. goedgekeurd door gedeputeerde Staten dezes provincie op den 24 Mei daarop volgende, heeft de plaatselijke School Commissie de Eer U.E.A. het hierbij gevolgde voorstel intezenden. Tot toelichting zij allen opgemelde, dat de Commissie bij deze voordragt heeft gelet op den omvang van den werkkring en op de bekwaamheid, geschiktheid, rang en leeftijd van het onderwijzend personeel, terwijl om redenen reeds vroeger aan U.E.A. kenbaar gemaakt van gevoelen is, dat, indien men zich van voldoende hulp op onze openbare Scholen wil verzekeren, de voorgestelde belooningen niet lager mogen afdalen.
Het onderwijs in de handwerken is geregeld overeenkomstig het raadsbesluit van 7 December 1858 - die toestand niet veranderd zijnde, zoo dient de daarvan bestaande regeling te blijven voortduren. Ten slotte veroorloven wij ons de vrijheid U.E.A. in overweging te geven, om de nieuwe regeling der Jaarwedde en toelagen in werking te doen treden op den eersten der maand volgende op het hieromtrent te nemen raadsbesluit. De Plaatselijke Schoolcommissie.  

- (80; 16-7-1859) Dordrecht den 16 Julij 1859.
De plaatselijke School Commissie vindt zich verpligt U.E.A. opmerkzaam te maken, dat zij ook in hare zitting van den 11 dezer buiten de mogelijkheid is geweest om art. 3, in verband met art 2, voor het onderwijs in de handwerken op de Stads-armenschool nateleven. Zij voegt hierbij dat het getal leerlingen dezer School inmiddels weder met ruim 50 is toegenomen, en dat de aanvragen om aan het onderrigt in de handwerken te kunnen deelnemen, met klimmende aandrang tot haar komen. Onder herinnering aan hare missive van den 16 April 1859, no. 59, zal het de Commissie dus aangenaam zijn van U.E.A. te mogen vernemen, hoedanig zij in deze moet handelen. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (81; 16-7-1859) Dordrecht den 16 Julij 1859.
Bij apostille van den 1 Julij 1859 no. 724 R, is door U.E.A. om berigt en raad in onze handen gesteld om request met bijlagen van Mejufvrouw Johanna Jacoba Cohen Stuart, thans zich bevindende te 's Gravenhage gedagteekend 30 Junij 1859, verzoekende dat aan haar moge worden uitgereikt het bewijs bedoeld bij art. 37 letter c der wet van 13 Augsutus 1857 (Staatsblad no. 103).
Met terugzending der ontvangen bescheiden hebben wij de eer U.E.A. te berigten, dat door de adressante zijn overgelegd:
a) Eene akte van algemeene toelating tot Schoolhouderesse afgegeven door de provinciale Commissie van onderwijs in Zuidholland op den 11 April 1850, met admissie in de Engelsche, Fransche en Hoogduitsche talen en bijbehoorende wetenschappen;
b) Eene akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzeres, afgegeven door de Commissie van examen in Zuidholland op den 27 April 1859,waaruit tevens blijkt dat door de adressante een voldoend examen is afgelegd in de vrouwelijke handwerken.
c) Eene akte van bekwaamheid als onderwijzeres in de Engelsche taal, afgegeven door laatstgemelde Commissie op den 29 April 1859, waarop tevens is vermeld dat de adressante alstoen een voldoend examen heeft afgelegd in de Fransche taal; - Gelet op art 37 in verband met art. 68 der wet geven deze verschillende stukken aan de adressante de bevoegdheid om in deze gemeente als hoofdonderwijzeres werkzaam te zijn en zulks in de vakken van het lager onderrwijs en in de Engelsche, Fransche en Hoogduitsche talen, benevens in de handwerken.
d) En behoorlijk geregistreerd getuigschrift d.d. 15 April 1859 afgegeven door Burgrmeester en Wethouders van Delft, waaruit blijkt, dat de adressante is van een goed zedelijk gedrag, welk stuk in verband met het Certificaat op den 9 Julij l.l. door den heer Burgemeester dier gemeente uitgereikt waaruit resulteert dat adressante sedert 1 Mei 1845 tot heden aldaar is gedomicilieerd geweest, ons voorkomt te voldoen aan hetgeen bij art 37 letter C wordt gevorderd.
Weshalve wij de eer hebben U.E.A. te adviseren dat door uwe vergadering naar aanleiding van de art 21, 37 en 68 der wet van 13 Augustus 1857, aan Mejufvr J.J. Cohen Stuart zal worden afgegeven het bewijs, dat hare stukken zijn gezien en in orde bevonden. 

- (82; 18-7-1859) Petrus Jacobus Holl;
- (89; 9-8-1859) Pierre Marie de Raveaud, geb. 29-5-1836;
- (97; 4-10-1859) Jorina Boll;
- (105) kind van Benjamin Teulen genaamd Johannes.
- (108; 1-11-1859) subsidie Fr. Meisjesschool hoofdonderw. M.M. Hofman wed H. Smaasen en J.C.S. de Vries-Kretschemer.

- (109; 4-11-1859) Dordrecht den 4 November 1859.
Bij apostille van den 28 October 1859 no. 1148, is door U.E.A. om berigt en raad in onze handen gesteld eene missive met biojlagen van Mejufvrouw Adriana Hendrika Carolina de Vogel, thans weder wonende in deze gemeente, gedagteekend van den 25 October 1859, verzoekende dat aan haar moge worden uitgereikt het bewijs bedoeld bij art 37 letter C der wet van 13 Augustus 1857 S.B. no. 103.
Onder terugzending der ontvangen bescheiden hebben wij de eer U.E.A. te berigten, dat door adressante zijn overgelegd:
a) Eene akte van algemeene toelating tot Schoolhouderesse afgegeven door de Provinciale Commissie van Onderwijs in Zuidholland op den 3 April 1856, waaruit blijkt dat zij is geregtigd verklaard tot het geven van onderwijs in de Nederduitsche en Fransche taal en bij behoorende wetenschappen, en dat zij op den 14 October 1857 door dezelfde Commissie is toegelaten tot het geven van Onderwijs in de Hoogduitsche taal, welke akte ingevolge art 68 der wet binnen deze provincie gelijke regten geeft als de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzeres mitsdien voldoet ana hetgeen bij art. 37 letter a dier wet wordt gevorderd en haar bevoegd maakt om in deze gemeente onderwijs te geven in de vakken van het lager Onderwijs en in de Fransche en Hoogduitsche talen.
b) Een getuigschrift op den 15 October 1859 afgegeven door Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, waarin deze verklaren dat Mejufvrouw A.H.C. de Vogel van 9 November 1858 tot 14 Julij 1859 in die gemeente woonachtig is geweest en van een goed zedelijk gedrag was. Voor 9 November 1858 en na 14 Julij 1859 woonde adressante in deze Stad, en heeft zich, voor zoo ver de Commissie bekend is, steeds door een goed zedelijk gedrag onderscheiden. Laatstvermelde daadzaak in verband met het overgelegd getuigschrift schijnt genoegzaam te subintreren voor hetgeen bij art 37 letter b wordt gevorderd.
Om alle deze redenen vindenn wij volkomen vrijheid U.E.A. te adviseren, om, naar aanleiding van de art. 21, 37 en 68 der wet van 13 Augustus 1857 aan Adriana Hendrika Carolina de Vogel aftegeven het bewijs dat hare stukken zijn gezien en in orde bevonden. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (111; 5-11-1859) kind van Gerrit van Dijl genaamd Hendrik;

- (116; 23-11-1859) Dordrecht den 23 November 1859.
Krachtend de magtiging aan de plaatselijke Schoolcommissie vroeger verleend, heeft zij de eer U.E.A. kennis te geven, dat zij, in overleg met dames Regentessen, het noodzakelijk heeft gevorderd om het onderwijzend personeel in de handwerken op de Stads-tusschenschool met eene Kweekelinge te vermeerderen, en dat zij als zoodanig heeft aangesteld Alegonda van den Heuvel, geboren 25 April 1842, op eene Jaarwedde van f 38. Zullende zij op den 1 December a.s. hare betrekking aanvaarden.
Wijders heeft de Commissie gemeend de Jaarwedden van O. van Aarts, N. Pulleman en G.J. Takke, de beide eerste kweekelingen bij het onderwijs in de handwerken op de armenschool en de laatste als zoodanig werkzaam op de tusschenschool, te moeten brengen van f 28 op f 30 nu de integaan op den 1 December a.s. De Commissie meent zich te mogen vleijen dat deze verschillende besluiten Uwe goedkeuring zullen wegdragen.

- (119) Matthijs Polderman.

- (121; 9-12-1859; aan J. van Heumen, hoofd stadstusschenschool) Dordrecht den 9 December 1859.
De plaatselijke SchoolCommissie heeft het genoegen U.E. medetedeelen dat de toelage van A. van den Heuvel, Kweekelinge voor het onderwijs in de handwerken op Uwe School door de bevoegde magt is vastgesteld op f 30 en die van G.J. Takke, mede in de zelfde betrekking werkzaam, met tien gulden is verhoogd en alzoo mede gebragt op f 30 ingegaan 1 December l.l.
De Commissie verzoekt U.E. hiervan aan de belanghebbenden mededeeling te wilen doen.

- (16; 6-1-1860) J.J. Cohen Stuart;
- (22; 6-1-1860) J. Schenk.
- (26; 13-1-1860) C.C.J. Nunnink, thans te Gorinchem.

- (32; 19-1-1860) (aan mevr. R.M. van Rijsoort van Meurs geb. Kluit te Dordrecht)
Dordrecht den 19 Januarij 1860.
Wij hebben van heeren Burgemeesters en Wethouders het voor ons aangename berigt ontvangen, dat hun E. Achtb. hebben goedgevonden UE op nieuw te benoemen tot Regentes voor het onderwijs in de handwerken op de Stads tusschen en armenschool. Bij de medeeling van die benoeming voegen wij den welgemeenden wensch, dat U.E. zal kunnen besluiten deze betrekking bij vernieuwing te aanvaarden.
De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (33; 20-1-1860)(aan de Burgemeester)
Dordrecht, den 20 Januarij 1860.
Ter voldoening aan Uwe apostillaire dispositie van den 16 Januarij j.l. hebben wij te eer U.E.A. hierbij terug te zenden de stukken van Mejufvrouw H.L. van der Noorda, ons geworden bij apostille van den 9 Januarij 1860 no. 38 R.
De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (40; 21-1-1860) nieuwe leerling Antje Reus, stadsarmenschool;
- (42) Vereniging van St. Vincentius de Paulo.

- (44; 22-1-1860) (aan Mevrouw S.C.B. Blom-van den Broek, president regentes van het onderwijs in de handwerken op de Stads-tusschen en armenscholen)
Dordrecht den 22 Januarij 1860.
De plaatselijke Schoolcommissie heeft de eer dames Regentessen te informeren, dat zij van den heer Burgemeester mededeeling heeft ontvangen dat Mevrouw van Rijsoort van Meurs met ultimo December l.l. afgetreden als Regentes voor het onderwijs in de handwerken op de Stads-tusschen en armenscholen, als zoodanig is herbenoemd en dat hiervan aan de benoemde is kennis gegeven. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (57; 6-3-1860) Dordrecht den 6 Maart 1860.
Bij apostille van den 17 Februarij l.l. no. 187, is door U.E.A. ten fine van berugt en raad, in onze handen gesteld een adres van Mejufvrouw Dina Willemina Zahn, onderwijzeres in de handwerken op de Stads-Armenschool, gerigt aan heeren Burgemeester en wethouders dezes gemeente en gedagteekend 8 Februarij 1860, verzoekende om daarbij aangevoerde redenen tegen 1 April ontslagen te mogen worden van de bewoning van het thans bij haar in gebruik zijnde en aan de gemeente in eigendom behoorende huis, en in de plaats daarvan hare Jaarwedde te willen brengen van f 100 op f 200.
Ter juiste beoordeeling van dit verzoek achten wij het nuttig U.E.A. te herinneren, dat krachtens de magtiging van verstrekt bij raadsbesluit van 7 December 1858, de adressante in Januarij 1859 door ons in hare tegenwoordige betrekking is aangesteld op eene Jaarwedde van f 100 zonder meer, met vrij gebruik van het aan de School grenzende huisje, hetwelk zij ook van de diakonie genoot en waarvan de huurwaarde opp ruim f 100 begroot word. het U.E.A. missive van 11 Januarij 1859, no 23/34, bleek ons dat die handelwijze uwe volkomen goedkeuring had weggedragen.
Thans vraagt adressante ontslag van de bewoning van dit huisje, daar zij meer op goedkooper wijze in deze behoefte te kunnen en moeten voorzien en verzocht in de plaats daarvan eene verhooging harer Jaarwedde met f 100. Het komt ons voor, dat haar verlangen niet onbillijk is, terwijl tegen de inwilliging met het oog op de belangen der school geen bezwaar bestaat.
En daar het ons voort toeschijnt dat de bedoelde woning wel tegen denzelfden prijs zal kunnen verhuurd worden als het cijfer beloopt, waarmede adressante hare Jaarwedde wenscht verhoogd te hebben, vinden wij vrijheid U.E.A. te adviseren, om het gedaan verzoek goedgunstig toetestaan.
Wij hebben de eer het ontvangen adres hierbij terugtezenden. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (63; 24-3-1860);
- (81; 24-3-1860) mej. J.J. Cohen Stuart;
- (81a; 24-3-1860) mej. M. Schellart;
- (113; 18-5-1860) W. Heiliger, secondant E.D.G.F. Frahm;
- (114; 23-5-1860) R.K. Meisjesschool, Cecilia Gertudis Brom, Eliza Hermina Carolina van Rooij, huisonderwijzeres;
- (119) Christina de Ronde, hulponderwizjeres;
- (123; 11-7-1860) beschrijving nieuwe stadstusschenschool / privaat en finteintje (meisjes naai- en breischool);

- (130; 8-9-1860) Dordrecht den 8 September 1860.
Uwe Commissie heeft het door U.E.A. bij apostille van den 15 Augustus l.l. no. 931 ten fine van raad en berigt in hare handen gesteld plan, met memorie van toelichting, tot verbouwing van de beide of buiten- en binnen voogden kamers in het voormalig oud-mannenhuis in de Vriezestraat, en inrigting dier localen tot een naai en breischool voor ruim 150 armenkinderen aan een naauwgezet onderzoek en rijpe overweging onderworpen, zij geeft zich bij deze de ter de slotsom daarvan, onder terugzending van bovenvermelde Stukken, ter kennis van U.E.A. te brengen.
Mogt het plan in 't algemeen en in 't bijzonder voor zooveel het betreft de inrigting van het locaal bestemd voor de naai- en breischool, haren bijval wegdragen, zij mag hare goedkeuring niet schenken aan de denkbeelden in de memorie van toelichting ontwikkeld met betrekking tot de voorziening in eenige behoeften van den hoofdonderwijzer.
Ten aanzien van het locaal voor de naai- en breischool bestemd, wenscht de Commissie alleen deze opmerking te maken, dat bij haar niet de volle overtuiging bestaat, dat het een voor het onderwijs in handwerken voldoend licht zal aanbieden. De bezwaren der Commissie tegen de voorstellen, ter voorziening in eenige behoeften van den hoofdonderwijzer zijn tweeŽrlei;
Vooreerst, tegen de verplaatsing van diens zoogenaamde werkkamer naar boven, ter plaatse waar de tegenwoordige naaikamer bestaat. Zij oordeelt namelijk dat zoodanige in rigting voor het publiek, hetwelk en ophoudelijk met den hoofdonderwijzer van eene zoo sterk bevolkte armenschool in aanraking komt, zeer ongeriefelijk en voor een behoorlijk toezigt van den hoofdonderwijzer, in 't bijzonder bij het aan- en uitgaan der School hoogst ondoelmatig zal zijn. Ook ligt hierin de voor den hoofdonderwijzer niet te ..kennen mogelijkheid voor de zittingen der Commissie met het bestuur der School belast; want bij gelegenheden als van aanneming en ontslag van leerlingen enz kan daar voor de betekkelijk kleine, geheel achter in zijne tegenwoordige woning gelegen kamer, niet geschikt dienen.
Ten andere acht de Commissie het voornemen om de droog of bergzolder naar boven de tweede of tegenwoordige kleine School te verplaatsen niet gelukkig.
Die droogzolder zal daardoor buiten eenige bruikbare verbinding zijn met de woning van den hoofdonderwijzer; de zijnen zullen dus telkens met het waschgoed of langs een omweg over de Straat of over de geheele lengte door de beide Scholen zelve die zolder slechts kunnen bereiken; is het eerste zeer lastig voor de huishouding, en daardoor minder in overeenstemming met art 19 pag. 1 van den wet op het lager onderwijs, waarbij den hoofdonderwijzer eene vrije woning wordt verzekerd; - het laatste is door de plaatsing der zitbanken schier onmogelijk en daarenboven zeer storend voor de goede orde op School welke bovendien bepaaldelijk op de Kleine School ook verbroken schijnt te zullen wordne, door het mangelen, ophangen, afnemen van het waschgoed en derdelijke welke verrigtingen in die School daaronder al ligt hoorbaar zullen zijn.
Deze bemerkingen aan Uwe ernstige overweging aanbevelende meent de Commissie hare taak volbragt te hebben. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (131; 12-9-1860) Charles Williams, secondat P.M.V. van de Riviere;

- (132; 20-9-1860; aan Dames Regenten) Dordrecht den 20 September 1860.
Namens onze Commissie heb ik de eer U.Ed kennis te geven, dat zij heeft goedgevonden aan Mejufvrouw P.A. Kunst geboren van den Heuvel, tegen 1 october aanstaande op haar verzoek ontslag te verleenen uit hare betrekking van eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads tusschenschool.
De Commissie neemt de noodige maatregelen om Sollicitanten naar die betrekking uittenodigen voor 25 September e.k. zich in persoon ook bij U Ed aantemelden. Daarna zag zij gaarne zoo Spoedig mogelijk zich door U Ed ingelicht zoo omtrent de geschiktheid der Sollicitanten als omtrent de toeteleggen Jaarwedde van f 80 tot f 100 naar verdienste aan de persoon die UE het meest geschikt voorkomt. De Plaatselijke Schoolcommissie.
---> advertentie in de Dordrechtsche Courant van 21-9-1860

- (135) weekblad De Wekker.

- (141) Dordrecht den 29 September 1860.
De plaatselijke School Commissie alhier heeft de eer U.E.A. te berigten, dat zij krachtens vroeger verleende magtiging aan Mejufvrouw P.A. van den Heuvel op haar gedaan verzoek tegen 1 October 1860 eervol ontslag heeft verleend als eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads-tuschenschool.
Ter voorziening in die vacature heeft de Commissie de belanghebbenden opgeroepen, en, na voorlichting van dames Regentessen in boven omschreven betrekking aangesteld Mejufvrouw Klazina Reus, die als hulponderwijzeres der Vijfde Klasse op die School reeds werkzaam is in deze betrekking onder het genot derzelfde Jaarwedde van f 200 haar als hulponderwijzeres toegelegd op voormeld tijdstip zal aanvaarden.
Ter voorziening in de opengevallen plaats bij het onderrigt in de handwerken door bovengemelde benoeming ontstaan heeft de Commissie daarop met gelijk overleg aangesteld Mejufvrouw Teuntje Wolhof geboren den 28 September 1826, wonende alhier, op eene Jaarwedde van 80 integaan op den 1e October e.k. op welk tijdstip zij gemelde functie zal aanvaarden. De Commissie meent zich te mogen vleijen, dat deze verschillende besluiten Uwe goedkeuring zullen wegdragen. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (142; 2-10-1860) (aan mej. Klazina Reus) Dordrecht den 2 October 1860.
De plaatselijke SchoolCommissie alhier, heeft het genoegen U medetedeelen, dat zij IU heeft aangesteld tot eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads-tusschenschool alhier, ingegaan 1e October l.l. onder genot van dezelfde Jaarwedde U reeds als hulponderwijzeres toegelegd, en op de instructie zoo als die door den gemeenteraad is vastgesteld. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (143; 2-10-1860 (aan Dames Regentessen vor het onderwijs in de handwerken) Dordrecht den 2 October 1860.
De plaatselijke SchoolCommissie alhier, heeft de eer UE medetedeelen dat zij het eerste onderwijzeres in de handwerken op de Stads-tusschenschool alhier heeft aangesteld Mejufvrouw Klazina Reus reeds als hulponderwijzeres aldaar werkzaam.
De benoemde zal deze betrekking aanvaarden met den 1e October aanstaande en treedt in de plaats van Mejufvrouw P.A. van den Heuvel die gelijk U.E. bij missive d.d. 20 September l.l. no. 132 is berigt, tegen gemeld tijdstip eervol is ontslagen. Voorts heeft de Commissie ter voorziening in de opengevallen plaats bij het onderrigt in de handwerken, ten gevolge van bovenstaande benoeming ontstaan, aangesteld Mejufv Teuntje Wolhof, geboren den 28 September 1826, thans wonende alhier. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (144; 2-10-1860) Namens de plaatselijke Schoolcommissie alhier heb ik het genoegen U te berigten, dat zij U heeft aangesteld tot tweede onderwijzeres in de handwerken op de Stadstusschenschool alier op eene Jaarwedde van...;

- (148; 11-10-1860) Dordrecht den 11 October 1860.
Namesn de palatselijke School Commissie alhier heb ik de eer U.E.A. te berigten, dat Mejufvrouw Klazina Reus en Mejufvrouw Teuntje Wolhof op den 1 October l.l. respectivelijk hare nieuwe functien bij het onderwijs in de handwerken op de Stads-tusschenschool hebben aanvaard. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (150; 1-11-1860) Dordrecht den 1 November 1860.
De plaatselijke School Commissie te Dordrecht heeft de eer U Ed te berigten dat buiten hare voorkennis gisteren naar zij verneemt door of op last van den Stads-architect de gaz-meter van de Stads armenschool is weggenomen, en dat dien ten gevolge het onderwijs op de brei- en naaischool en op de avondschool bij gemis van het gaslicht van heden af is gestaakt. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (152; 3-11-1860) Dordrecht den 3 November 1860.
Namens de plaatselijke School Commissie te Dordrecht heb ik de eer U.E.A. te berigten, dat de heer mr. J.W. van der Noorda heden de betrekking van Secretaris dezer Commissie heeft aanvaard.

- (157; 10-12-1860) Dordrecht den 10 December 1860.
Ook ten gevolge van eene opmerking der regentessen voor het onderwijs in de handwerken op de Stadstusschen- en armenscholen, heeft de plaatselijke School-commissie de eer U Ed Achtb. te berigten, dat de geheime gemakken, in de lokalen der stads-tusschenscholen, een en dan een zeer onaangename reuk van zich geven. Zij verzoekt U Ed Achtb om daar naar het noodig onderzoek te doen instellen en dien staat van zaken, zoo spoedig mogelijk te doen ophouden. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (158; 10-12-1860) Dordrecht den 10 December 1860.
Ingevolge van art 14 der reglementen van de stadstusschen- en armenscholen, heeft de plaatselijke Schoolcommissie de eer aan U Ed Achtb ter regeling van de jaarwedden en toelagen der hulponderwizjers, hulponderwijzeressen en kweekelingen, aan genoemde Scholen, voor het jaar 1861 de navolgende voordragt tedoen:
Stadstusschenschool
Hulponderwijzers
C. van Driel f 425 - f 425
S. Schotel f 425 - f 425 
C. Schotel f 425 - f 425
A.A. Ek (a) f 275 - f 425
Kweekelingen
J.A. Kamberg f 100 - f 150
R.J. de Roo f 75 - f 100
P.H. Beets f 75 - f 100
H.J. Knaap f 50 - f 75
H. van Aardenne f 50 - f 75
P. Bisschop f 25 - f 25
S.v an Dijk f 25 - f 25
J. Vermeulen f 25 - f 25
Hulponderwijzeressen
H. Reus f 200 f 275
Ch. de Ronde f 200 - f 200
Hulponderwijzeressen uitsluitend voor de handwerken
F. Wolhoff f 80 - f 80
G.J. Takken f 30 - f 40
A. v.d. Heuvel f 30 - f 40
(a) A.A. Ek bezit den rand van hoofdonderwijerl toen hij voor enigen tijd naar de betrekking van hulponderwijzer aan de stads-armenschool wilde dingen, is hem gezegd, dat hij dit moest nalaten, daar ter gelegene tijd de verhooging zijner jaarwedde zou worden voorgedragen; aan de stads-armenschool zijn hulponderwijzers werkzaam die slechts der derden rang bezitten en in het genot zijn eener jaarwedde van f 425. Deze omstandigheden doen het de commissie billijk oordelen om den belangrijke verhooging der jaarwedde van A.A. Ek voor te dragen.
Stads armenschool.
Hulponderwijzers
J. Schuengel f 425 - f 425
J. Kramers f 425 - f 425
S. Bison f 425 - f 425
F.H. Papenrecht f 350 - f 425
H.E. Wullings f 425 - f 425
M. Plokker f 425 - f 425
G.J. Breedveld f 200 - f 200
Kweekelingen
L. van Dijl (b) f 100
J. Brussaard f 75 - f 100
L. van Dongen f 25 - f 50
B. Blommers f 25 - f 25
E. Korll f 25 - f 25
Hulponderwijzeressen voor de handwerken
D.W. Zahn f 200 - f 200
A. Kloppers f 60 - f 100
O. van Aarts f 30 - f 40
D.J. Bonket f 30- f 40
(b) L. van Dijl is ingevolge art 5 al 2 en 3 der wet op het Lager Onderwijs als kweekeling ontslagen.

- (159; 31-12-1860) (aan S.C.B. Blom geboren van Broek te Dordrecht) Dordrecht den 31 December 1860
Wij hebben van heeren Burgemeester en Wethouders heet voor ons aangename berigt ontvangen, dat UEd den Heer E Achtb op nieuw, als regentes voor het onderwijs in de handwerken op de stads tusschen- en armenschool is benoemd. Bij de mededeeling van die benoeming voegen wij den welgemeenden wensch, dat u Ed zal kunnen besluiten om die bnetrekking wederom te aanvaarden. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (4; 4-1-1861) Adriana Elisabeth Biester, Bagijnhof, onderwijzeres in de handwerken;
- (28; 26-1-1861) J. Schenk.
- (29; 26-1-1861) M.M. Hofman-H. Smaasen.
- (30; 26-1-1861) J.C.S. de Vries-Kretschmer.
- (31; 26-1-1861) mej. J.J. Cohen Stuart.
- (62; 16-5-1861) Geertr. Margar. Dobbe. 
- (123; 24-8-1861) localen Pictura;

- (148; 31-10-1861) (aan heer J.H. van Trooijen, hoofdonderwijzer) Dordrecht den 31 October 1861.
De plaatselijke School Commissie te Dordrecht heeft het genoegen UE te berigten, dat zij tot helpsters bij het onderwijs in de handwerken aan de tweede stads-tusschenschool alhier, ieder op eene jaarwedde van f 30 heeft aangesteld, om met 1 november e.k. haar betrekking te aanvaarden.
Francina Catharina van den Ent, Jansje van Dalen, Anna Maria Roosendaal en Johanna Elisabeth Doterem, allen wonende te Dordrecht. Aan de benoemden is van de benoening kennis gegeven. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (149; 31-10-1861) (aan Dames Regentessen) De plaatselijke Scholcommsie heeft de eer dames regentessen mede te deelen dat zij als helpsters bij het onderwijs in de handwerken aan de tweede stads-tusschenschool alhier, heeft aangesteld: Francina Catharina van den Ent, Jansje van Dalen, Anna Maria Roosendaal en Johanna Elisabeth Doterem, allen wonende te Dordrecht. Aan ieder den benoemden, die hare betrekking op den 1 November e.k. zullen aanvaarden, is eene jaarwedde van f 30 toegelegd. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (166; 11-11-1861) Dordrecht den 11 November 1861.
De plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht heeft de eer UEA te berigten, dat mejufvrouw D.W. Zahn, hoofdonderwijzer bij het Onderwijs in de handwerken aan de Stads-armenschool, op den 2 dezer maand overleden is. De Commissie zal de noodige maatregelen nemen om in die vacature te voorzien. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (167; 11-11-1861) (aan Dames Regentessen) Dordrecht den 11 November 1861.
De plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht heeft de eer U te berigten, dat Mejuffrouw D.W. Zahn, hoofdonderwijzeres bij het onderwijs in de handwerken aan de stads-armenschool, op den 2 dezer maand overleden is. De Commissie nodigt U uit om haar voor te lichten, ten aanzien van de wijze, waarop in de door dat overlijden ontstane vacature zal voorzien worden. ingeval echter bij U het voornemen mogt ontstaan om de benoeming van A. Kloppers, als hoofdonderwijzeres in de plaats van de overledene voor te stellen, rigt de Commissie reeds een aan U de vraag of genoemde A. Kloppers, om hare mismaaktheid en nietig voorkomen, wel geacht kan worden geschikt te zijn, om aan het hoofd te staan van het Onderwijs in de handwerken aan de Stads-armenschool. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (171) C.J. Kok, hulponderwijzer te Steenbergen.

- (172; 18-11-1861) Dordrecht den 18 November 1861.
De plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht heeft de eer UEA te berigten, dat zij krachtens de op hun verleende magtiging bij besluit van de gemeenteraad dd 7 December 1858, in overleg met dames-regentessen van het onderwijs in de handwerken aan de stadsscholen, als Eerste(hoofd) onderwijzeres bij dat onderwijs aan de Stads-armenschool heeft benoemd A. Kloppers, thans helpster bij dat onderwijs aan de laatstgenoemde school. toegelegd, welke zij UEA voorstelt, met den 16 dezer maand te doen ingaan. Nog merkt de Commissie UEA op, dat de overleden Eerste onderwijzeres D.W. Zahn, om bijzondere redenen, eene jaarwedde van f 200 genoot. De Plaatselijke Schoolcommissie.

- (173; 18-11-1861; NIET VERZONDEN) (aan mevrouw wed Smaasen-Hofman, hoofdonderwijzeres) Dordrecht den 18 November 1861.
De plaatselijke School Commissie te Dordrecht, berigt UE door dezen, dat zij den door UE ingezonden rooster der werkzaam in uwe School, gedurende den cursus 1861-1862, heeft goedgekeurd, omdat die cursus reeds zoover gevorderd is en eene verandering in den rooster derhalve bezwaar zou kunnen opleveren. De Commissie noodigt UE uit om aan haar den roosten der werkzaamheden in uwe School, gedurende den volgende cursus, uiterlijk in de maand Junij e.k. toe te zenden, opdat zij tijdig in de gelegenheid zij den rooster definitief vast te stellen. Reeds nu echter mkert de Commissie UE op, dat naar haar mening niet genoeg werk wordt gemaakt van de vreemde talen, en vooral met van de Engelsche en Duitsche.

- (174; 18-11-1861; NIET VERZONDEN) (aan mevrouw de Vries-Kretschmer, hoofdonderwijzeres) Dordrecht den 18 November 1861.
Gelijkluidens als no 173, doch in fine nog: "Tevens vertrouwt zij, dat gedurende het onderwijs in de handwerken aan uwe school eene lectuur plaats heeft, die overeenkomstig aan de behoefte der kinderen is".

- (173; 26-11-1861) (aan F.N. van Hasselt, hulponderwijzer, Hardinxveld) Dordrecht den 26 November 1861.
Namens de plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht noodig ik U in antwoord op uw brief dd 20 dezer, uit om U op Zondag den 1 December a.s. bij de leden der Commissie te vervoegen, opdat zij persoonlijk met U zullen kennismaken. De Secretaris der Commissie, wonende alhier in de Grotekerksbuurt A62, zal U op dien dag voor 12 uur des middags bij zich wachten, om in de woonplaatsen van de leden der Commissie op te geven. 

- (174; 2-12-1861) (aan mevrouw de Vries-Kretschmer, hoofdonderwijzeres) Dordrecht den 2 December 1861.
De plaatselijke schoolcommissie te Dordrecht berigt UE door dezen dat zij door UE ingezonden rooster der werkzaamheden in uw school, gedurende den cursus 1861-1862 als door UE in overleg met de commissie ogpemaakt wenscht te beschouwen, omdat de cursus reeds zoo van gevorderd is en eene verandering in den rooster derhalve bezwaar zou kunnen opleveren. De Commissie noodigt UE uit om aan haar den rooster der werkzaamheden in uwe School, gedurende den volgende cursus, uiterlijk in de maand Junij e.k. toe te zenden, opdat zij tijdig in de gelegenheid zij dien rooster in overleg met UE tijdig op te maken. De Commissie rigt echter nu reeds de vraag tot UE of in uwe school wel genoeg werk wordt gemaakt van de vreemde talen, en vooral met van de Engelsche en Duitsche. tevens is de commissie overtuigd, dat gedurende het Onderwijs in de handwerken aan uw school eene lectuur plaats heeft, die overeenstemt met de behoeften der kinderen

- (175; 2-12-1861) (aan mevrouw wed Smaasen-Hofman, hoofdonderwijzeres
Gelijkluidend als no 174 met uitzondering van den laatsten volzin, die aan no 175 ontbreekt.

- (176; 9-12-1861) Dordrecht den 9 December 1861.
De plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht .... Smits geboren Bouvij, met 31 December a.s. aftredende als regentes voor het onderwijs in de handwerken aan de stads-scholen, als zoodanig is herbenoemd en dat hiervan aan de benoemde is kennis gegeven.

- (177; 9-12-1861) (aan dames regentessen) Dordrecht den 9 December 1861.
De plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht heeft de eer dames-regentessen voor het Onderwijs in de handwerken aan der Stadsscholen mede te deelen, dat zij als eerste Onderwijzeres in de handwerken aan de stads-armenschool alhier, op eene jaarwedde van f 100 ingegaan den 16 November l.l., heeft aangesteld A. Kloppers, thans helpster bij dat onderwijs aan gemelde school.
'
- (5; 10-1-1862) Dordrecht den 10 Januarij 1862.
Naar aanleiding van het Provinciaal-Blad no. 124 des vorigen jaars, waarbij zijn gevoegd de Voorschriften betrekkelijk de Statistiek van het Lager Onderwijs, heeft de plaatselijke Schoolcommissie te Dordrecht de eer U mede te deelen, dat op 1 Januarij dezes jaars, in deze gemeente, de navolgende scholen bestonden:
a) Openbare Scholen van lager Onderwijs
1. Eerste tusschenschool, hoofdonderwijzer J. van Heumen
2. Tweede tusschenschool, hoofdonderwijzer J.H. van Trooijen
3. Armenschool, hoofdonderwijzer G. Bonket
b) Bijzondere Scholen van Lager Onderwijs
1. School in het weeshuis, hoofdonderwijzer J. Henning
2. Christelijke School P. D(ijksterhuis), hoofdonderwijzer J.H. Dijkman
3. School van Vincentius van Paulo, hoofdonderwijzer W. Stalenhoeff
4. R.C. Meisjesschool, hoofdonderwijzeres M. Schellart
5. Burgerschool, hoofdonderwijzer D. Visscher van Aalst
6. Burgerschool, hoofdonderwijzer H. Spoel Azn
7. Burgerschool, hoofdonderwijzer D. van Katwijk
8. Burgerschool, hoofdonderwijzer J.P. Goedhart.
9. Burgerschool, hoofdonderwijzer A. Spoel
10. Burgerschool, hoofdonderwijzer A. Degens
11. Burgerschool, hoofdonderwijzer J. Schenk
c) Herhaling- en Zondagscholen van Lager Onderwijs
1. Herhalingsschool van 't Nut van 't Algemeen, hoofdonderwijzer J. van Heumen;
2. Zondagsschool der Hervormde Diakonie, hoofdonderwijzer G. Bonket;
3. Zondagsschool van Vincentius van Paulo, hoofdonderwijzer W. Stalenhoeff;
d) Fransche scholen
1. Fransche School, hoofdonderwijzer P.M.V. van de Riviere;
2. Fransche School, hoofdonderwijzer J.A.C. Los;
3. Fransche School, hoofdonderwijzer A.M. Brand van Straaten;
4. Fransche School, hoofdonderwijzeres J.J. Cohen Stuart;
e) gesubsidieerde Fransche Scholen
1. Fransche school, hoofdonderwijzeres J.C.S. de Vries geb Kretschmer;
2. Fransche school, hoofdonderwijzeres M.M. Hofman wed H. Smaasen;

- (6; 16-1-1862) Dordrecht den 16 Januarij 1861.
De plaatselijke School Commissie heeft de eer dames regentessen mede te deelen, dat zij bij
het Onderwijs in de handwerken aan de Stads-Armenschool heeft aangesteld: Tot Tweede onderwijzeres op eenen jaarwedde van f 50 O. VAN AARTS, thans helpster bij dat onderwijs. En tot helpsters, ieder op eene jaarwedde van f 30 H. Reus en A.E. Bonket, zijnde gemelde jaarwedden ingegaan met den 1 Januarij l.l.

- (8; 16-1-1862; aan H. Reus) Dordrecht den 16 Januarij 1861.
De plaatselijke schoolcommissie te Dordrecht heeft het genoegen U te berigten, dat zij U heeft aangesteld als helpster bij het Onderwijs in de handwerken op de Stads-Armenschool alhier, op eene jaarwedde van f 30 ingegaan op den 1 Januarij l.l., terwijl zij terstond die betrekking zult moeten aanvaarden.

- (9; 16-1-1862; aan A.E. Bonket) Dordrecht den 16 Januarij 1861.
Van gelijke dagteekening en inhoud als no 8.

- (23; 16-02-1862) burgerschool;
- (43; 17-2-1862) Cohen Stuart;

- (86; 27-4-1862) Dordrecht den 27 April 1862. De plaatselijke School Commissie te Dordrecht heeft de eer UEA te berigten, dat zij krachtens de op haar verleende magtiging bij besluit van den gemeenteraad dd 7 December 1858 in overleg met de dames-regentessen van het onderwijs in de handwerken aan de Stads Scholen, als
helpster bij dat onderwijs aan de tweede Stads-Tusschenschool heeft benoemd Geertruida van Dalen, om met den eersten Mei a.s. in functie te treden. Uwe commissie heeft, onder mede goedkeuring, aan de benoemde eene jaarwedde van f 30 toegelegd, in te gaan op gemelden eersten Mei. 

- (89; 28-4-1862) (aan de hoofdonderwijzeres de Vries-Kretschmer) Dordrecht den 28 April 1862.
De plaatselijke School Commissie te Dordrecht berigt U door dien, dat bij haar geen bezwaar bestaat, dat op 8 mei a.s., den dag der onthulling van het Standbeeld van Arij Scheffer, door U vacantie aan de leerlingen uwer School gegeven worden. tevens deelt de Commissie U mede, dat het jaarlijksche examen op uwe school is bepaald op donderdag den 5 Junij a.s. des voormiddags ten tien uren.

- (90; 28-4-1862) (aan hoofdonderwijzeres wed Smaasen geb. Hofman te Dordrecht) Dordrecht den 28 April 1862.
Van gelijke dagteekening en inhoud als no 89, in plaats van 5 Junij a.s. echter 12 Junij a.s.

- (255; 24-12-1862)
Cohen Stuart;

[bron: SAD 121 (plaatselijke schoolcommissie lager onderwijs), inv. 15 (kopieboek 1859-1862)]

* * *

- (vergadering 30 April 1877)
benoemd helpster in de handwerken, 2e Armenschool, E. Hoskorn;

- (vergadering 31 Augustus 1878)
benoemd helpster in de handwerken, L. Kok(k)eel, 2e Armenschool;

- (vergadering 23 November 1878)
helpster stedelijke bewaarschool, D. van Geel, f 40;

- (vergadering 27 januari 1879)
(b).....Januari 1879, inhoudende verzoek om inlichtingen ten aanzien van de voorgestelde regeling van het onderwijs in de handwerken voor meisjes aan onze openbare Lagere Scholen.
Wordt besloten aan Burgemeester en Wethouders mede te delen, dat het in de bedoeling ligt het onderwijs in de handwerken geheel af te scheiden van het meer wetenschappelijk onderwijs, met dienverstande dat de hulponderwijzeressen, welke bevoegd en geschikt zijn onderwijs in de handwerken te geven daarbij, indien zij daar naar dingen, kunnen worden geplaatst tegen genot der voor de Kathegorie van onderwijzers, waarin zij zullen vallen, vastgestelde bezoldiging; dat meermalen door de hulponderwijzeressen welke met het onderwijs in de handwerken belast zijn, klagten zijn geuit, daar zij voor de vervulling eener zooveel zwaarder taak generlei vergoeding erlangen, en dat de meerdere kosten der nieuwe regeling boven de bestaande worden geraamd op ruim f 300. 
(c) De benoeming van P.H. van Heusden, oud 14 jaren, tot kweekeling aan de 1e Armenschool. Wordt besloten aan Burgemeester en Wethouders voor te stellen den benoemde eene jaarlijksche toelage te willen toekennen van f 100.

- (vergadering 27 oktober 1879)
.....De brief wordt gedeponeerd sub N. 81.
'n brief van den hoofdonderwijzer der openbare school aan de Hellingen [H.J. Knaap] 27 October 1879, houdende verzoek om de vrouwelijke handwerken te doen onderwijzen van October tot April van des namiddags vier tot half zes ure, op grond dat de speelplaats bij die school in de wintermaanden van s namiddags vier tot half vijf ure door koude en nattigheid in den regel onbruikbaar is. Wordt besloten afwijzend op 
het verzoek te beslissen, hoofdzakelijk op grond, dat men t niet in het belang der kinderen acht om zoo lang stil te zitten, zonder verpozing. 
De brief wordt gedeponeerd sub No 82.
Wijders wordt nog besloten mededeeling te doen aan Burgemeester en Wethouders, dat de helpsters bij het onderwijs in de handwerken aan meisjes J.V. Lipjes, E. Grootenboer en D. Horkorn met goed gevolg examen in de handwerken hebben......

- (vergadering 14 Augustus 1880)......De brief wordt voor kennisgeving aangekomen en gedeponeerd sub N 60.
b) brief van den hoofdonderwijzer der openb. gemengde school aan de Hellingen dd 2 Augustus 1880, houdende verzoek namens Mejufvr. C.G. Bek en W. Nelemans van ontslag uit hare betrekking van helpster bij het onderwijs in de handwerken aan die school tegen 1 September a.s.
De voorzitter geeft naar aanleiding van dit geaan verzoek te kennen, dat de presidente van Dames regentessen hen mondeling heeft meegedeeld, dat bij haar tegen het gedaan verzoek geen bedenking bestaat en dat Dames Regentessen voor de vacerende betrekkingen aan bevelen:
Cornelia Johanna Kokkeel, wonende in het Lange Kromhout alhier, oud 16 jaar, en Janna Pieters, wonende aan de Blaauwpoort alhier, oud 20 jaren Worden benoemd tot helpsters bij het onderwijs in de handwerken aan de gemengde School, om met 1 September in dienst te treden op een jaarwedde van f 40, behoudens nadere goedkeuring.
..... J. van Andel, hulponderwijzer aan de 2e openbare Armenschool alhier. De voorzitter neemt op zich aan de Heer waarnemend Schoolopziener te vragen of hij tegen die aanbeveling geen bezwaar heeft.
De Voorzitter deelt mede dat Dames Regentessen ehm bij monde van de presidente, hebben meegedeeld, dat zij 't hoogst wenschelijk achten, dat de banken in de tweede tusschenschool, voor zoover die gebruikt worden door meisjes, die onderwijs in de handwerken ontvangen, worden voorzien van naaikussens. Na enige discussie daaromtrent wordt besloten het oordeel van de hoofdonderwijzer der school te vragen in 
de verdere behandeling. 

- (vergadering 8 september 1880)
......naar aanleiding van de gelezen notulen ontspint zich een debat  over de vraag hoe de naaikussens op de tweede tusschenschool moeten worden ingericht en blijkt de 
Vergadering van oordeel dat het beste zal zijn zoo de tafels middendoorgezaagd worden, zoodat de voorste helft open kan slaan waardoor, indien de kussens onder die helft worden vastgehecht deze naa boven worden geslagen zooals vroeger op de School van den Heer Rottier het geval was.
Wordt besloten Burgemeester en Wethouders te verzoeken met vermelding, dat dit geschiedt in overleg met Dames Regentessen en den betrokken hoofdonderwijzer te willen bevorderen dat een twintigtal der banken op die School op dier wijze worden veranderd. 
De ingekomen Stukken zijn de volgende:
(a) Brief van Burgemeester en Wethouders van Dordecht dd 26 Augsutus 1880, houdende bericht dat de gemeenteraad de jaarwedden van de helpsters bij het onderwijs in de handwerken M. Bijl, V.A. de Voogd van der Straaten en J. Rutten heeft verhoogd tot f 80 ingegaan voor Mej. Bijl op 1 Januari jl en voor de beide anderen op 1 Juli jl.
Wordt voor kennisgeving aangenomen en gedeponeerd onder No. 63.
(b) Van dezelfde dd 24 Augustus 1880 houdende bericht dat de gemeenteraad eervol ontslag heeft verleend op zijn verzoek aan den hulponderwijzer der 1e armenschool A.P. Wolhof tegen 1 September a.s. Wordt voor kennisgeving aangenomen en gedeponeerd onder No. 64.
....(i) Brief van den hoofdonderwijzer der School aan de hellingen dd 7 September 1880, houdende mededeling dat de helpsters J. Pieters en C.J. Kokkeel op 1 dezer hare betrekking hebben aanvaard en dat mej. Pieters met gunstig gevolg examen in de vrouwelijke handwerken voor nut heeft afgelegd.
Wordt besloten van de aanvaarding kennis te geven aan Burgemeester en Wethouders en den Gemeenteontvanger en aan Burgemeester en Wethouders voor te stellen de jaarwedde van mej. Pieters te brengen van f 40 op f 80. De missive wordt gedeponeerd onder nummer 70.
(k) brief van den hoofdonderwijzer van Trooijen dd 7 September 1880 houdende hetzelfde bericht als voren betrekkelijk mejufvrouw J.A. Hoskorn. Wordt besloten Burgemeester en Wethouders tot gelijke verhooging te adviseeren en de brief gedeponeerd onder no. 71.
(l) brief van den hoofdonderwijzer van Heumen dd 25 Augustus 1880 houdende bericht dat mejufvrouw Hesse op den .....betrekkking aanvaard...; 

- (vergadering 27 December 1880)
.....(m) Verzoek van Mej. M.M. Reus om eervol ontslag als helpster bij het onderwijs in de vrouwelijke handwerken aan de 2e openbare tusschenschool. Wordt besloten het gevraagde ontslag te verleenen en daarvan aan damesregentessen bericht te zenden met verzoek om aanbeveling. Gedeponeerd Sub no. 101.

- (vergadering 22 October 1882)
.. M. van Dijk benoemd is tot onderwijzers aan de School no 5, dat de kweekeling H. Phielix van School no. 6 ontslagen is omdat hij verdacht werd geld te ontvreemden uit de School Spaarbank, doch dat ook na zijn vertrekt deze diefstallen voortduren zonder dat het tot nu toe is mogen gelukken den dader te ontdekken; dat de bedoeling van den Heer van Heumen was om aan mej. Rutten die in de vorige vergadering 
was benoemd tot helpster in de handwerken aan de School no 2, als hofd der helpsters toe te kennen een toelage van f 120, waartoe de Voorzitter haar dan ook had aanbevolen; dat het hoofd der School no. 5 bezwaar had gemaakt mej. Groeneveld tot verhoging van jaarwedde op f 80 voor te dragen, zoodat daar...

- (vergadering 16 april 1883)
Ingekomen Stukken zijn:
(a) verzoek van mej. N. Labrijn, helpster aan de School no. 5 om eervol ontslag tegen 1 Mei en een brief van dames regentessen houdende de mededeeling dat mej. Pieters helpster aan de School no. 6 tegen 1 Mei haar eervol otnslag verzoekt en zij in hare plaats aanbevelen mej. C. van Altena alhier, dat eerder mej. A. Rutten hulponderwijzeres voor de handwerken aan de School no. 2 wegens de toeneming van het getal 
leerlingen nog eene helpster verlangt, waartoe de dames aanbevelen mej. M.W. Deijsselhoff geexamineerd. 
Tevens verzoeken de dames de meening der Commissie te vernemen over de vraag hoe gehandeld moet worden met de voordracht ter benoeming van eenige onderwijzeressen of helpsters bij het onderwijs in de handwerken, daar het hoofd der School no. 5 meent dat dergelijke voordracht alleen door het hoofd der school geheel buiten de dames om moet geschieden. 
Wat betreft het verzoek om ontslag van mej. Labrijn en Pieters in de vervanging der laatste door mej. van...

- (vergadering 21 mei 1883)
... dat hij heeft voldaan aan de opdracht der mededeeling van het gevoelen der Commissie over het examen van bewaarschoolhouderessen van de Secretaris van het Nut, dat bij het onderzoek van helpsters voor de hadnwerken moest doen, gebleken is dat de benoeming nergens geregeld is zoodat aan de dames was bericht dat de benoeming op den ouden voet kon blijven en de Commissie er prijs op blijft stellen de voordrachten 
der dames te ontvangen.
Over het aanbrengen van naaikussens aan de School no. 6 heeft de Voorzitter het hoofd der School nog niet gesproken. Op verzoek van den heer Tijssens neemt de Voorzitter op zich ook de hoofden der Scholen no 3 en 4 over het noodige veranderen der banken te spreken en hun te verzoeken eene gedetailleerde opgave how zij die verandering wenschen.
...............(b) als boven betreffende de benoeming van J.C. van der Elst, op eene jaarwedde van f 600 aan de School no 3. Kennisgeving en depot onder no. 51.
(c) Apsotille van den Burgemeester van 1 Mei ten geleide van een verzoek van mej. Dijsselhof onderwijzeres aan de School no. 3 om drie maanden verlof tot herstel van gezondheid. Overeenkomstig het ingewonnen gevoelen van het hoofd der School wordt besloten ten gunstig te adviseren en de apostille gedeponeerd onder no. 52.
De Voorzitter deelt mede dat toen dit verzoek van mejufvrouw Dijsselhof bij de Commissie inkwam, juist aanhangig was het voorstel der dames om haar te benoemen tot helpster aan de School no 2, dat hij daarom aan de dames in overweging had gegeven deze vorodracht in nadere overweging te nemen en dat daarvan het gevold was:
(d) eene missive der dames waarbij zij aanbevelen mej. D. Arenoe, oud 19 jaar en tevens berichten dat zij ter vervanging van mej. Labrijn aan de school no. 5 geen aanbeveling noodig achten dewijl de in hare plaats benoemde mej. den Hartog acte voor de handwerken bezit en dus als helpster kan optreden.
Wordt besloten mej. Arenoe te benoemen en den Secretaris op te dragen bij mej. den Hartog te informeren of zij de handwerken onderwijzen wil of zij daarvoor acte heeft en haar in dat geval aan Burgemeester en Wethouders voor te dragen voor een Salaris van f 100.
De brief wordt gedeponeert onder no. 53.

- (vergadering 8 augustus 1883)
Tegenwoordig de heeren Fangman, de Vries, Veth, Tijssens en van Oldenborgh.
President de heer Fangman.
De notulen der vergadering van 21 Mei worden gelezen en goedgekeurd.
De Voorzitter deelt mede dat hij op de School no. 6 een onderzoek naar de verlangde naaikussens heeft ignesteld en hem daarbij gebleken is dat door de onderwizjeressen en helpsters geen verandering in den bestaanden toestand wordt gewenscht. Wordt besloten de brief der dames regentessen voor kennisgeving aan te nemen terwijl de Voorzitter op zich neemt bij het hoofd der School uitlegging te vragen van zijn houding, daar hij de dames om kussens vraagt en aan de Commissie mededeelt ze niet te willen hebben.
....(-) Verzoek van dames regentessen om vermeerdering van het aantal helpsters aan de School no. 6 met een, op grond van het toenemend aantal leerlingen en voorstel om voor de nieuwe plaats te benoemen mej. G. Bakker op de Pelsebrug.
De Vergadering besluit de machtiging tot de gevraagde vermeerdering te vragen en aan de dames te berichten dat tegen de in functietreding, van mej. Bakker reeds bij voorraad geen bezwaar bestaat.
De missive wordt gedeponeerd onder no. 82.

[bron: SAD 121 (plaatselijke schoolcommissie lager onderwijs), inv. 6 (notulen)]

* * *

(c) EvD Dordrecht okt-nov 2009.