EXAMENS BEKWAAMHEID IN DE NUTTIGE EN FRAAIE HANDWERKEN

bron: Nationaal Archief 2.04.09, inv. nr. 921, 923, 924

PROCESVERBALEN en VERSLAGEN

1906
Breda (fraai)
's-Gravenhage (fraai)
Breda (nuttig)
's-Gravenhage (nuttig)
Utrecht (nuttig)
1909
examencommissies
's-Gravenhage (nuttig)
Utrecht (fraai)
1911
's-Gravenhage (nuttig)

* * Breda (fraai) 1906 **

bron: Nationaal Archief 2.04.09, inventarisnr. 921

VERSLAG der Commissie belast met het afnemen der examens ter verkrijging van akten van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de Fraaie handwerken voor Meisjes te Breda, in 1906.
De Commissie heeft tot haar leedwezen geconstateerd, dat de bedrevenheid van vele candidaten niet alleen te wenschen overliet, maar - bij den gunstigen uitslag van het examen in het vorige jaar vergeleken - zeer was gedaald.
Er viel ditmaal achteruitgang waar te nemen. Voor het hoofdvak, BORDUREN, dat ten vorigen jare 18 maal met het vijfer 8 of 9 werd gewaardeerd, kon het cijfer 8 slechts éénmaal, (uitsluitend voor zijdeborduren) worden toegekend.
Voor teekenen - mede een der hoofdvakken - behaalden slechts twee candidaten het cijfer 8, terwijl daarvoor in het vorige jaar 14 maal het cijfer 8 of 9 kon worden verleend.
Het plaatsen van monogrammen bijv. op zakdoeken, het aanbrengen eener bepaalde versiering liet dikwijls te wenschen over. Ook voldeed bij vele candidaten het HAKEN, het GUIPURE, en het ORNAMENT-TEEKENEN niet aan billijke eischen. Bij het teekenen op het bord werd vrij algemeen over het hoofd gezien, dat het moet dienen voor het geven van onderwijs.
Uit het volgende overzicht van behaalde punten blijkt, dat 67 maal een onvoldoende cijfer moest worden gegeven. In het vorige jaar was dit slechts 18 maal het geval. Vakken..........;

vakken aantal examens ieder vak afgelegd aantal malen dat werd toegekend het cijfer
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Fransch borduren 39 - - - 7 18 2 12 - - -
Engelsch borduren
(Richelieu)
39 - - - 9 20 4 6 - - -
Haken 39 - - - 7 23 2 7 - - -
Breien 39 - - 1 10 16 6 6 - - -
Knoopen-Guipure 39 - - 2 11 17 4 5 - - -
Teekenen 39 - - 2 11 14 8 4 - - -
Kantwerk (opennaaien, puntotirato) 39 - - 1 5 15 4 13 - 1 -
Holbein (kruissteek, petit-point) 39 - - 2 14 13 4 5 1 - -
Lakenwerk (zijdeborduren) 39 - - 1 8 22 3 5 - - -
Theorie 39 - - 7 11 17 2 2 - - -
TOTAAL - - 16 93 175 39 65 1 1 -

 

* * 's-Gravenhage (fraai) 1906 **

VERSLAG van de Examen-Commissie voor de fraaie handwerken te 's-Gravenhage 1906.

De 34 candidaten die zich hadden aangemeld waren verdeeld in drie ploegen. Het examen duurde voor iedere candidaat twee dagen telkens des voormiddags om 9 uur aanvangende en met eene pauze van 1 1/2 uur eindigende des namiddags om 4 uur. Van de 34 geëxamineerden slaagden er 24 dus ruim 70%.

De verschillende opgaven werden zooveel mogelijk in verband gebracht met de practijk; zooals: het borduren van eene letter in den hoek van een sloop, daarna het afwerken van den buitenkant met schulp, vervolgens het verbinden van boven- en onderdeel met siersteek; het gewijzigde overbrengen van een klaverblad als rand voor een zakdoek, waaraan een feston als afsluiting moest geteekend worden.
Een en ander werd daarna geborduurd. Over het geheel genomen gaf het examen reden tot tevredenheid. In de volgende tabel is [hierbij gevoegde lijst zijn in de 1e verticale kolom de waardeeringscijfers 1 tot 10 aangegeven, terwijl in de horizontale rijen] voor ieder vak vermeld het aantal malen dat [ieder cijfer werd toegekend] de onderscheidene waardeeringscijfers werden toegekend.
[Rotterdam/'s-Gravenhage 23 Februari 1906]

  1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Borduren met den platten steek - - 1 8 - 13 8 2 2 -
Borduren - - - 10 - 14 6 2 2 -
Holbein (kruissteek) - - 2 12 - 12 4 3 1 -
Haken - 1 2 4 - 14 12 1 - -
Breien 2 - - 7 - 15 9 1 - -
Knoopen - - - 6 - 15 2 11 - -
Guipure - - - 6 - 17 7 4 - -
Kantsteken - - 2 5 - 14 9 4 - -
Patroonteekenen - - 1 5 - 19 3 5 1 -
wijze van aanvang en vertooning van handwerken - - - 5 - 14 6 7 2 -
methodiek - - 1 5 - 15 6 3 4 -

 

* * Breda (nuttig) 1906 **

NOTA van opmerkingen betreffende het in 1906 te Breda afgenomen examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes.

Het is de Commissie aangenaam te kunnen zeggen dat in het geheele examen vooruitgang te bespeuren is. Toch meent zij de navolgende opmerkingen te moeten maken.
De candidaten wisten moeilijker te verklaren hoe het eerste onderwijs van een vak moet gegeven worden dan hoe verder het onderwijs moet voortgezet worden. Bij het vak breien bijvoorbeeld waren velen nog onbeholpen in het gebruik van de houten breinaalden als hulpmiddel bij het opzetten van breisteken enz. Het teekenen van breisteken was veel beter alhoewel, het van enkelen moeilijk was rechte van averachte steken te onderkennen. Het teekenen van stoppen was vooruitgegaan. Bij het behandelen van het knippen werd door de candidaten neit genoeg uitgegaan van de lengte, die de kleedingstukken hebben om daaruit de breedte met de kinderen af te leiden en die afmetingen dan in toepassing te brengen voor het model.
Zij noemden te veel uit het hoofdgeleerde getallen op zonder eigenlijk goed te begrijpen hoe men tot die cijfers gekomen was, waardoor het onmogelijk is aan kinderend aarvan een juist denkbeeld te geven. Het knippen van onderdeelen bij een gegeven model of op werkelijke grootte was over het algemeen vrij goed.
Voor de practijk van het mazen en stoppen geldt alleen deze aanmerking dat meer netheid in het erk wordt verlangd. Een maas en stop moeten aan beide kanten goed afgewerkt zijn, bij een maas de kanten niet te smal overgemaasd zijn en bij een stop, moeten de lusjes niet te groot en de stop zuiver doorgestopt worden. De houding van de candidaten bij het naaien laat te wenschen over. Ook wijst de Commissie er op, dat de steken dikwijls zeer ingelijk zijn en het inhalen en strepen van de stof en de verdeeling van de ingehaalde ruimte meestal nieet goed is.
Het nakijken van kleedingstukken was goed en vlug gedaan. Het knippen van modellen op werkelijke grootte ws veel beter dan het knippen van verkleinde modellen, die dikwijls niet mooi van vorm waren en waarvan veel te weinig was afgewerkt in den daarvoor gegeven tijd.
E'én uur en vijftien minuten waren niet voldoende om zoo'n verkleind model geknipt en in elkaar gespeld klaar te krijgen.
Breda, den 5en April 1906.

* * 's-Gravenhage (nuttig) 1906 **

Verslag van het examen in de nuttige handwerken gehouden te 's-Gravenhage van 14 Februrari tot met 2 Maart 1906.
Voor dit examen hadden zich aangemeld 554 kandidaten, waarvan onderstaand staatje eene nadere uiteenzetting geeft.
Aantal kandidaten, die
  zich hebben aangemeld 554
  het examen geld hebben gestort 553
  zijn opgekomen 549
  zich hebben teruggetrokken 1
  zijn afgewezen 121
  zijn geslaagd 427

(Zie bijlage A)
Van de 548 kandidaten, die geexamineerd werden in het geheele examen aflegden, slaagden er 427 d.i. bijna 78 procent, terwijl de eene kandidaten, die zich gedurende het examen terugtrok geen kans meer had om te slagen.
De uitslag van het examen kan in het algemeen bevredigend genoemd worden te meer daar van de geslaagden ruim een vierde deel een ruim voldoende, goed of zeer goed examen deden.
De volgende opmerkingen betrekken dan ook grootendeels de examens afgelegd door de niet geslaagden of door de candidaten, die het predicaat "even voldoende" of "voldoende" behaalden.
De meeste onvoldoende cijfers moestsen gegeven worden bij het maken van kindergoed.
Kinderrokken werden te nauw geknipt, waardoor zij geleken op verkleinde vrouwenrokken. Bij het maken van kinderhemden waren de armgaten niet geeevenredigd aan de lengte van het hemd. Meermalen werd van kleedingstukken een model gegeven, dat geheel in strijd was met de eischen, die de practijk stelt. Het naknippen van kinderkleeding naar een gegeven model was voor verscheidene candidaten eene te moeilijke taak. Ook het uitmeten van een kleedingstuk en het brekenen van de benoodigde stof werd soms zeer onpractisch verricht. Enkele aspiranten hadden geen flauw begrip van stofbreedte.
Het naaien schijnt nog niet genoeg beoefend te worden; vale candidaten meenen, dat netjes naaien bestaat in kleine, onpractische stukjes maken en leveren daardoor te weinig werk in den bepaalden tijd. Ook het verstellen van naaiwerk was vaak te weinig beoefend.
Voor het naaien moesten dan ook vele onvoldoende cijfers gegeven worden. De onfrischheid van sommiger naaiwerk was toe te schrijven aan minder reine handen.
Het breien, stoppen, mazen was door velen met voorliefde beoefend; het inbreien van stukjes liet echter meermalen te wenschen over. De lage cijfers van sommige candidaten voor deze drie onderdeelen van het programma waren meestal te wijten aan onnaauwkeurig werken.
De houding van sommige candidaten vooral bij het naaien, was in strijd met de regelen, die de gezondheidsleer aangeeft met betrekking tot de ademhaling en de bewaring van de gezichtssterkte.
Wat het theoretisch gedeelte van het examen betreft, viel het even als het vorige jaar op, dat bij het onderwijs aan eerstbeginnenden de meeste fouten werden gemaakt, b.v. bij het leeren opzetten van breiwerk of bij het geven van de eerste naai- en maasles. Bij verscheiden aspiranten was te bespeuren, dat zij nooit of weinig behulpzaam waren geweest bij het geven van onderwijs in de nuttige handwerken, deze hadden een en ander uit hare handleiding van buiten geleerd.
Het aantal candidaten, dat de leer middelen die gewoonlijk bij dit onderwijs gebruikt worden, niet kende, was gelukkig ook thans gering. Enkelen hadden zich zelfs veel moeite getroost om deze hulpmiddelen te leeren kennen.
Het teekenen gaf enekele malen slechte resultaten; dan toonde de teekening terstond aan, dat deze candidaten nof weinig idee hadden van klassikaal onderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes aan leelringen van eene lagere school.
Enkele niet geslaagde aspiranten verklaarden een tegenzin tegen dit vak te hebben.
Het aantal malen, dat voor de onderdeelen de verschillende cijfers werdne toegekend, is uitgedtukt in de volgende tabel [Zie bijlage B] 's-Gravenhage 29 maart 1906.

* * Utrecht (nuttig) 1906 **

VERSLAG van de bevindingen der commissie in 1906 te Utrecht belast gewest met het afnemen van de akte-examens in de nuttige handwerken voor meisjes.
Vooruitgang viel niet op te merken. Naast zeer goede examens staan er vele, die maar juist voldoende waren. Breien en stoppen gaven de beste uitkomsten, ook bij de andere drie vakken werden wel hooge cijfers toegekend, maar toch was menig stuk naaiwerk slordig of was er zoo wienig van af, dat het getuigde van geringe vaardigheid; toch kwam het bij mazen herhaaldelijk voor dat minder toeren waren ingewerkt dan eerst waren uitgetornd; en niet het minst valt nog steeds te klagen over het knippen.
Niet alleen het naknippen bleek nog steeds voor meerderen een struikelblok; maar ook moest menig stuk werk afgekeurd worden, omdat het na de afwerking bleek eenige centimeters te klein te zijn, de aspiranten waren niet voldoende erin geoefend om met een stuk de maat te dien behouden. Gebrek aan oefening eindelijk moet de reden wezen, dat velen toonden geen oog te hebben voor goede vormen b.v. voor de ronding van armsgat of hals en vooral voor de wijdte daarvan in verhouding tot het geheele kleedingstuk.
Bleek dit tekort aan oefening bij het practisch werk, het kwam ook spoedig aan den dag bij het theoretisch examen in het knippen. Dan werd er wel gesproken over het aanknippen van twee naden, maar hoe daarvan gebruik te maken om het kleedingstuk den juisten vorm te doen behouden, dat kon niet worden aangetoond.
Dan wist men wel goed en in juiste verhouding te teekenen, maar niet die toekenning te gebruiken bij het onderwijs. Dan bleek het vaak te moeilijk om aan te geven en te verklaren, hoe voor een bepaald kleedingstuk lengte en breedte moeten berekend worden en hoeveel stof er voor noodig is.
Dat ook aan kinderen kniples moet gegeven worden, bleek sommigen onbekend, maar meer nog kwam het voor dat het eerste onderwijs in nuttige handwerken aan jonge kinderen veel te vluchtig bleek behandeld te zijn. Dikwijls kwam het uit dat aspiranten de eerste beginselen als te eenvoudig beschouwd hadden om op een examen te worden behandeld; zij hadden dus niet geleerd of althans niet begrepen, dat van grondig onderricht in de beginselen de vorderingen bij voortgezette oefeningen afhandelijk zijn.
Te veel wordt voorts bij de opleiding vergeten, dat de aspirante moet laten zien en hooren hoe jonge kinderen moeten wordne onderwezen. Het is niet genoeg de leermiddelen te kennen en teeknen te kunnen; maar van leermiddelen en teekeningen dient het juiste gebruik gemaakte te worden.
Eindelijk is nog te vermelden, dat het onderwijs in verstellen meer moet worden beoefend.
(Utrecht, 17 April 1906)

                                                                  Aantal malen dat werd toegekend het cijfer

  10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Practijk
Naaien 1 9 56 107 156 2 82 22 2 2
Knippen 3 19 59 108 128 2 98 17 5 -
Breien 2 25 92 106 144 1 58 7 4 -
Mazen - 19 74 118 111 - 107 9 1 -
Stoppen 7 35 107 121 128 4 33 2 2 -
Theorie
Naaien - - 24 105 192 - 106 10 2 -
Knippen - 1 31 108 214 - 68 14 1 2
Breien - 3 43 125 191 - 70 7 - -
Mazen - 1 37 141 189 - 62 8 1 -
stoppen - 1 21 109 214 - 85 5 4 -

 

* * Examencommissie 1909 **

's-Gravenhage, 15 Januari 1909.
De Minister van Binn. Zaken, Gelet op art. 87 er Wet tot regeling van het l.o. en op de artt. 1 en 7, eerste lid, van het KB van 27 Juni 1892 (Stb. no. 1664); Heeft goedgevonden:
(1) te bepalen. dat de examens ter verkrijging van akten van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de nuttige en in de fraaie handwerken voor meisjes voor het jaar 1909 zullen aanvangen op 15 Februari e.k. en dat de commissien, met het adnemen dezer examens belast, zitting zullen houden; voor de nuttige handwerken te Breda, 's Gravenhage, Utrecht en Zwolle, en voor de fraaie handwerken te Utrecht;
(2) te benoemen:
te Breda:
voor de nuttige handwerken: Jhr mr L.F.H. Michiels van Kessenich, inspecteur van het l.o. in de eerste inspectie
tot leden: de dames A. Teunisse, onderwijzeres in de vrouwelijke te Amsterdam;
A. Munnekrede, geboren Van der Grinten te 's Gravenhage
A.C. Kerlen, onderwijzeres aan de Rijks Kweekschool voor onderwijzeressen te Apeldoorn;
J.J.E. de Swert, onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken te Breda;
tot plaatsvervanger van den voorzitter: J.W. Schulinck, schoolopziener in het district Breda;
C.W. van Hilst, onderwijzeres eene bijzondere meisjesschool te 's Hertogenbosch;
G.W. Oosterhoff, onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken te Arnhem;
te 's Gravenhage:
tot lid en voorzitter der commissie voor de nuttige handwerken: J.C. Fabius, inspecteur van het l.o. in de tweede inspectie;
tot leden: de dames J.G. Gravelotte geboren Pontier, te 's Gravenhage;

G. Eggers, onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken te 's Gravenhage;
weduwe M.A. Baas geboren Van Drunen, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te 's Gravenhage;
G.W.C. van der Steen, leerares aan de industrieschool voor meisjes te 's Gravenhage;
A.M. Nater, onderwijzeres aan de gemeentelijke vormschool voor onderwijzeressen te Rotteerdam;
A.M. van der Velden, onderwijzeres aan de leerschool, verbonden aan de gemeentelijke kweekschool voor onderwizjeres en onderwijzeressen te Amsterdam;
tot plaatsvervanger van den voorzitter: mr. R. van Goens, schoolopziener in het district 's Gravenhage;
tot platsvervangende leden de dames M.J. Renard, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Delft;
J.H. Schambach, onderwijzeres in de nuttige handwerken te 's Gravenhage;
te Utrecht:
tot lid en voorzitter der commissie voor de nuttige handwerken: W. Middelveld Viersen, schoolopziener in het district Utrecht;
tot leden: de dames weduwe A.S. Borreman geboren Philips, te Utrecht;
C.J.W. Wisse geboren Verburgt, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Utrecht;
H.J. de Kroon, te Utrecht, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen, te Maarssen
S.C. Visée, leerares aan de industrieschool voor meisjes te Rotterdam;
tot plaatsvervanger van den voorzitter: D. Boswijk, schoolopziener in het district Gouda;
tot plaatsvervangende leden: de dames W.E.A. Ouwejan, te Utrecht, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Hilversum;
M.W. Kurisheer, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Gouda;
tot lid en voorzitter der commissie voor de fraaie handwerken: mr. Th. Ruijs JPzn, inspecteur van het l.o. in de derde inspectie;
tot leden de dames M.C. de Veh, onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken te Breda;
J. van der Kaaij, leerares aan de industrieschool voor meisjes te Rotterdam;
F.B. Mundhenk, onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken te Amsterdam;
J.H.A. Linden, directrice der industrieschool voor meisjes te Groningen;
tot plaatsvervanger van den voorzitter: dr. J.D.R. Scheffer, schoolopziener in het district Deventer;
tot plaatsvervangende leden: de dames E.C. van de Wall Perné geboren Van Vooren, leerares aan de industrieschool voor vrouwelijke jeugd te Amsterdam;
J.E. Klein, directrice der industrieschool en huishoudschool te Zwolle.
te Zwolle:
tot lid en voorzitter der commissie voor de nuttige handwerken dr. N. van der Meulen, schoolopziener in het district Assen;
tot leden: de dames R.H.M.J. Boerma, onderwijzeres aan de gemeentelijke kweekschool voor onderwijzeressen te Groningen;
W.A. Hendirks, leerares aan de industrieschool voor meisjes te Groningen;
weduwe N. van der Zee geboren Abbinga, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Sneek;
N. Tulp, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Meppel;
J.D. Top, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Arnhem;
F.J.G. Weijenberg, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Deventer;
tot plaatsvervanger van den voorzitter: G.A. Bosch, schoolopziener in het district Zwolle;
tot plaatvervangende leden: de dames W. Wolters geboren De Vries, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Dokkum;
E. Breman, onderwijzeres aan de Rijksnormaallessen te Zwolle;

* * 's-Gravenhage (nuttige handwerken) 1909 **

VERSLAG van de bevindingen der Commissie in 1909 te 's Gravenhage belast geweest met het afnemen der akte-examens in de nuttige handwerken voor meisjes.
De uitkomsten van een onderzoek, waarbij van de 681 geëxamineerden aan 567 eene akte van bekwaamheid wordt toegekend, mogen wel bevredigend heeten. Het is dan ook inderdaad de slotsom, waartoe de Commissie kwam bij het overwegen van hare bevindingen, dat de uitslag bevredigend is.
Het is regel gewroden aan de opleidingsinrichtingen voor onderwijzeressen, dat de kweekelingen aan het einde van het derde cursusjaar examen in de nuttige handwerken doen en ... slagen.
Dat eene leerling van eene industrieschool afgewezen wordt, is eene zeldzaamheid. De afgewezenen moeten bijna zonder uitzondering gezocht worden onder haar die eene particuiere opleiding genoten hebben, al waren er ook onder deze derde categorie velen, die blijkbaar goed waren opgeleid.
Behalve de oorzaken van afwijzing, bij sommige candidaten zelven te vinden, meent de commissie die te moeten zoeken in te groote omslachtigheid bij de voorbereiding; de exameneischen zijn zoo eenvoudig, maar af en toe kwam het uit, dat aspiranten allerlei zaken geleerd en beoefend hadden, waarnaar bij het onderzoek nimmer wordt gevraagt. Natuurlijk komt dat overbodige ten nadeele van het noodige.
Op het geleverde werk valt in het algemeen weinig te zeggen, en de commissie meent wel te doen met zich te bepalen tot de ééne opmerking, dat het naaiwerk het meest te wenschen overliet en wel door slordigheid van afwerking.
De uitslag van het theoretisch onderzoek is monder grondig dan die van het examen in de practijk; geen wonder trouwens met het oog op den jeugdigen leeftijd en het vaak geheel ontbreken van ervaring.
Toch is ook hier eene aanmerking te herhalen: de aspiranten vertellen te veel en zijn te weinig geoefend in het gebruiken van de leermiddelen, het teekenen op het bord en het voordoen (vooral van de eerste oefeningen) met het oog op eene klasse.
De volgende staat vermeldt het aantal malen dat de examencijfers voor de verschillende vakken zijn vastgesteld.
(24 april, 1909)

AANTAL MALEN DAT WERD TOEGEKEND.

  10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Vakken waarin werd geëxamineerd
Practijk
Naaien 9 26 101 197 231 3 97 14 3 -
Knippen 6 45 156 184 196 3 79 4 6 2
Breien 1 30 165 226 187 3 63 3 2 1
Mazen 2 58 188 226 147 2 55 2 1 -
Stoppen 13 97 202 200 140 2 24 2 - 1
Theorie
Naaien - 2 86 195 281 - 103 8 4 2
Knippen - 3 72 239 268 - 82 14 3 -
Breien - 11 111 234 241 5 66 9 4 -
Mazen - 4 100 215 296 - 59 7 - -
Stoppen - 5 62 195 327 - 71 16 2 3

 

* * Utrecht (fraaie handwerken) 1909 **

VERSLAG.
Bij het afnemen van het examen in de fraaie handwerken te Utrecht in 1909 werd dezelfde verdeeling en inrichting als het vorige jaar gevolgd.
Hoewel de uitslag van het examen niet beslist ongunstig kan genoemd worden, meent de commissie toch op eenige tekortkomingen te moeten wijzen.
Bij het patroonteekenen waren de lijnen veelal onzuiver hetgeen alter bij het borduren met den platten steek een groot bezwaar oplevert.
Ook dit jaar werd telkens een proef van Fransch borduren gegeven, die even als het vorige jaar reden tot ontevredenheid gaf; veelal werd te zwaar gevuld, waardoor het borduren hard was terwijl de steken niet in de juiste richting gewerkt werden.
Bij een eenvoudige opgaaf van kantwerk (genaaide quipure) bleek het, dat verschillende candidaten dit niet of in ieder geval te weinig hadden gedaan, bij point lacé, werd dikwijls het band zeer slordig opgeregen, ook in het midden, dat verkeerd was, omdat de vormen daardoor totaal verloren gingen; ook wisten vele candidaten het verschil tusschen fond en patroon niet te doen uitkomen
Bij Holbein werd meinige keren met knoopen aangehecht, wat bij het eigenaardige van het werk (gelijkheid aan beide zijden) door de commissie niet juist wordt geacht, ook het aanhechten het veel te wenschen over.
Het nawerken van een niet te moeilijk haak- en breipatroon bleek voor velen eene groote moeielijkheid, waarin enkele candidaten zelfs niet slaagden; vrije opgaven werden beter uitgevoerd.
In het algemeen was de technisch niet zoo, dat het werk inderdaad "fraai" kon genoemd worden, dit laatste geldt ook voor het appliqueeren van linnen op linnen; op de uitvoering hiervan was heel wat aan te werken.
In methodiek kon aan velen geen voldoend cijfer worden toegekend. Vaak bleek het, dat de antwoorden gegeven werden volgens een machinaal van buiten geleerde les, en dat zij geeenszins de vrucht waren van grondige studie en van zelfstandig denken. De commissie hoopt, dat de candidaten zich er vooral op zullen toeleggen het hoofddoel der methodiek in het oog te houden n.l. het duidelijk maken van het geleerde aan hare leerlingen.
Nog wenscht de commissie met nadruk er op te wijzen, dat een korte tijd van voorbereiding niet voldoende is om dit examen met goed gevolg af te leggen.
Hieronder volgt eene opgave van het aantal malen, dat de waardeeringscijfers voor de verschilledne onderdeelen zijn toegekend.

  10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Borduren met den platten steek - 3 7 26 - 32 24 6 2 -
Fransch borduren 1 4 8 28 - 44 12 3 - -
Engelsch borduren 1 1 7 21 - 49 13 8 - -
Holbein (kruissteek) 1 1 4 16 - 50 16 11 1 -
Haken of breien - 2 11 21 - 37 17 11 1 -
Knoopen - 1 - 19 - 51 12 5 2 -
Guipure - - 4 26 - 47 17 4 2 -
Kantsteken - - 2 28 - 48 16 4 2 -
Patroonteekenen 1 6 4 29 - 33 20 7 - -
Methodiek - 1 7 19 - 40 13 15 4 1

 

* * 's-Gravenhage (nuttige handwerken) 1911 **

Verslag der Commissie te 's-Gravenhage belast geweest met het afnemen der examens ter verkrijging van de akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes, benoemd bij beschikking van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken dd 18 Januari 1911, no. 329 (Afd. L.O.)

Over het algemeen is de uitslag van het examen gusntig te noemen.
Van de 762 adspiranten slaagden 624. Afgewezen zijn 138.
Het practisch gedeelte gaf minder aanleiding tot opmerkingen dan het mondelinge, hetgeen uit de bijgaande tabel is af te leiden.
Toch kan de opmerking niet achterwege blijven dat bij het practische gedeelte enkele naaiwerken beslist slordig waren te noemen: het inzetten van een ronde mouw, het verstellen van een katoenen hemdje en het maken van knoopsgaten.
HEet knippen is steeds vooruitgaande; ook het naknippen van een gegeven model werd beter uitgevoerd dan vroeger; doch het berekenen van de heoveelheid stof met opgaaf der breedte, voor het nageknipte model was vele malen onvoldoende.
Het breien van nieuwe stukken was bevredigend; de afwerking van versteld breiwerk was niet altijd netjes.
Het mazen en stoppen gaven geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.
Wat het mondelinge gedeelte betreft, mag nog wel eens worden gewezen op het voorteekenen op het bord. Vele candidaten teekenden zeer slordige lijnen, waardoor de vorm van een kleedingstuk, dat geknipt moest worden, zeer onjuist werd voorgesteld. De teekening van averechtsche steken en van een overhaling en mindering was menigmaal zeer onduidelijk.
De bekendheid van de breedte der meest gebruikelijke stoffen, hetgeen voor eene aanstaande onderwizjeres in de hadnwerken van zoo groot nut is, was vele malen onvoldoende.
De behandeling van de beginselen van breien, naaien en merken was dikwijls zeer onbegrijpelijk; degenen die zich met de opleiding belasten, zullen hieraan nog meer aandacht moeten schenken.
Het was opmerkelijk, dat bij de afgewezen candidaten velen waren, die reeds de akte van bekwaamheid als onderwizjeres hadden verkregen.
('s Gravenhage 28 Apil 1911)
(get) J.G. Gravelotte Ponsier, secretaris

* * *

(c) EvD Dordrecht juni 2010.