* * *
ARTIKEL 2 : Handwerkonderwijs in de 19de eeuw te Dordrecht (deel 2)
* * *

Handwerkonderwijs in de 19de eeuw te Dordrecht (deel 2)
Aanvullingen op de lijst met particuliere meisjes- en handwerkscholen
(door E.v.D.)

Nog niet vermelde namen in de lijst met meisjes- en handwerkscholen:

31. de naaischool Anna Lydia van Wel-Horché.
Anna Lydia Horché (1800-1891) trouwt 18 maart 1821 te Hamburg met Hendrik van Wel. In het kohier van het patentrecht van 1827 wordt het echtpaar aangeslagen voor resp. naaivrouw en viskoper in het Steegoversloot C1029. Enkele kinderen van de naaischool van mejufvrouw van Wel geven in 1827 een pak kousen aan de predikanten te Dordrecht ten bate van hulpbehoevende zieken in Nederland. Hendrik van Wel overlijdt in 1852. In de adresboeken 1855-1860 staat Anna Lydia Horché als naaister en winkelierster.

32. het instituut van Susanna Eelders.

In de Dordrechtsche Courant van 10 november 1832 wordt vermeld dat S. Elders een instituut opent op de Groenmarkt A286 voor jonge juffrouwen: ’La Soussignée a l'honneur d'avertir MM., les parens et tuteurs, que, autorisée par l' honorable magistrat de cette ville, elle se propose d'ouvrir un institut pour jeunes demoissells le 13 du mois de Novembre, au Groenmarkt lettre A. no. 286. L'instruction se fera dans les langues Hollandais, Française et Anglaise; la géographie; l'histoire universelle et moderne; ainsi que dans toutes sortes d'ouvrages à main [=alle soorten van handwerken]. Ceux qui voudront lui confier l'education de leurs enfans, soit comme des pensionnaires, des demi-pensionnaires ou comme des externes, sont priés de s'adresser à l'institutrice. Dordrecht, le 5 November 1832. S. ELDERS.’
Met wat speurwerk, vermoed ik dat het hier gaat om Susanna Eelders, die op 7-4-1782 werd gedoopt te Dordrecht als dochter van Hendrik Eelders en Adriana Rackwits. Susanna Eelders (in de Marienbornstraat) trouwt op 4 mei 1801 met Johannes van der Monde. Uit dit huwelijk worden geboren: Dina (1802), Adriana (1803) en Jacob Hendrik (1804). Johannes van der Monde overlijdt omstreeks 1804/1808. In 1808 woont Susanna als behoeftig weduwe met 2 kinderen op de Lindegracht C1182. Zoon Jacob Hendrik en dochter Dina trouwen resp. te Den Haag in 1827 en 1838. Hun moeder Susanna Eelders woont in 1827 in Den Haag. Ze is dan dienstbode.  Ze overlijdt voor 1838. Het is goed mogelijk dat Susanna Eelders in 1832 voor een korte tijd terug naar Dordt is gegaan.


33. de naaiwinkel/naaischool van de gezusters Wagner.
Door de afschaffing van de belasting op het gemaal raakt hun vader J.J. Wagner (1786-1863) zijn betrekking kwijt. Hij biedt zich begin 1856 aan om voor anderen allerlei kantoorwerkzaamheden te doen. Tegelijkertijd brengt hij de winkel in wol, garen, band, katoen enz van zijn vrouw Geertrui van Overbeek onder de aandacht. Dochter Johanna Gijsberta Wagner (*1820) heeft omstreeks 1855 een naaischool/naaiwinkel op de Voorstraat C1200, waarbij haar jongere zusters Johanna Georgina (*1825) en Margaretha Sara (*1833) werkzaam zijn. Op 22 augustus 1855 trouwt Johanna Georgina met Johannes H. van der Heijden. Margaretha S. Wagner wordt kamenier bij mevrouw Maria Brouwer-van der Linden (echtgen. van Arn.R.J. Brouwer). Rond 1857 willen haar ouders dat ze deze betrekking verlaat, omdat zij niet willen dat Margaretha deze dame vergezelt op hare verre reizen. In april 1859 solliciteert Margaretha S. Wagner naar de betrekking als hoofdonderwijzeres in de handwerken op de stads-tusschenschool in het Hof. In 1862 probeert ze dit opnieuw; nu als hoofdonderwijzeres in de handwerken op de nieuw op te richten armenschool. Ook haar oudere zus Johanna Gijsbertha (*1820) dingt mee na deze betrekking: ’J.G. Wagner/M.S. Wagner, hebben vroeger eene naaischool gehad en goede leerlingen geleverd’.  Johanna Gijsberta (*1820) wordt de nieuwe hoofdonderwijzeres in de vrouwelijke handwerken aan de tweede stadsarmenschool. Op 30 januari 1868 verzoekt ze om per 1 mei 1868 uit haar betrekking ontslagen te worden. Wegens omstandigheden wordt dit verzoek door haar op 27 februari 1868 weer ingetrokken. Op 7 april 1869 verzoekt ze om per 1 juli 1869 te worden ontslagen als hoofdonderwijzeres. Mej. E. Hartman (helpster bij het handwerken) wordt de nieuwe hoofdonderwijzeres. Johanna Gijsberta Wagner overlijdt onverwachts op 14 juni 1870.

34. de handwerkschool van Neeltje Rademaker.
Neeltje Rademaker (*14-1-1841) woont bij haar vader houtdraaier Johannes Rademaker in het Steegoversloot C1017. In het verslag van de bewaar- en kleinkindersscholen te Dordrecht van begin 1858 worden er drie scholen vermeld als zijnde ‘zuivere brei- en handwerkscholen’: A.C. Berlijn (op de Nieuwbrug), P. van Rietschoten (bij de Nieuwkerk) en dochter Rademaker (in het Steegoversloot). In april 1859 is Neeltje Rademaker (18 jaar, heeft een school voor handwerken) één van de 19 meisjes die de vrijgekomen betrekking als onderwijzeresse in de handwerken op de stads-tussenschool wilt vervullen. Op 21 september 1864 trouwt Neeltje Rademaker met de timmerman Johannes de Lange.

35. de handwerkschool van Johanna Pieternella van Rietschoten.
Johanna Pieternella (de Hart) van Rietschoten (*25-3-1837) woont bij haar moeder de weduwe Maria van Rietschoten-van Welsenes bij de Nieuwkerk C390. In het verslag van de bewaar- en kleinkindersscholen te Dordrecht van begin 1858 wordt ze vermeldt als hebbende een ‘zuivere brei- en handwerkschool’ bij de Nieuwkerk. In het verslag van de bewaar- en kleinkindersscholen van 1861 wordt de school gerekend tot de maitressenscholen. Ze heeft dan 2 jongetjes en 18 meisjes onder haar hoede. In 1862 heeft ze geen bewaarkinderen, maar op 31 maart 1863 wordt ze wel weer vermeld als zorgdragende voor 2 jongetjes en 23 meisjes. Eind januari 1864 telt haar kleinkinderschool 2 jongens en 10 meisjes; eind januari 1866 14 jongens en 18 meisjes; in januari 1867 is de school vervallen.
In juni 1869 solliciteert J.P. van Rietschoten naar een betrekking als onderwijzeres in de handwerken op de tweede stadsarmenschool. De regentessen voor het onderwijs in de handwerken aarzelen om Johanna voor te dragen bij de plaatselijke schoolcommissie ’omdat haar, door vroegere brandwonden misvormd, gelaat welligt aanstoot zou kunnen geven’, terwijl de commissie op de hoogte is dat ’J.P. (van) Rietschoten, die vroeger zelve eene handwerkschool heeft gehad, en van wie hare voormalige leerlingen zeer goed getuigenis geven’.

36. de naaiwinkel van weduwe A.M. de Ronde-de Geus.
Naaister Adriana Maria de Geus (*1816) trouwt op 19 mei 1841 met Frans de Ronde. Omstreeks 1859 heeft ze (inmiddels weduwe) een naaiwinkel. Samen met 19 andere dames is ze één van de kandidaten voor de betrekking als hoofdonderwijzeres in de handwerken op de stadstusschenschool. De andere dames zijn: Adriana Elizabeth Biester (22 jaar), Elizabeth Biester (19 jaar), Margaretha Sara Wagner (26 jaar, werkzaam geweest op een naaiwinkel), Elizabeth Maria Commers (27 jaar), Aaltje Eichhorn (oud 23 jaar), Constance Schrieder (18 jaar, naaister), de wed. de Kok (38 jaar), Adriana Schipper (24 jaar, naaister), Leentje Hartman (17 jaar, naaister), Maria Bonket (22 jaar), Adriana Johanna Brouwer (19 jaar), Neeltje Rademaker (18 jaar, heeft een school voor handwerken), Antonia van Embden geb. Flammen (24 jaar, onderwijzeres aan de bewaarschool te Zwijndrecht), Ida Mina v.d. Heuvel (19 jaar), Petronella Adriana v.d. Heuvel (25 jaar, werkzaam geweest bij mevr. de Vries-Kretschmer), Brezetta van Wel (48 jaar, naaister), Klazina Reus (19 jaar, geëxamineerd in de handwerken en werkzaam op de stadstussenschool) en Elizabeth Olivier (27 jaar, naaister). Volgens het adresboek van 1860 is Adriana Maria naaister in het Steegoversloot C1192. Ze overlijdt in 1866 op de Lindegracht C1044, 50 jaar oud.

37. de bijzondere school voor meisjes van Hester Smaasen.
Hester Smaasen (*1831) is een dochter van de schoolhoudster M.M. Smaasen-Hofman (1797-1865). Haar moeder heeft vanaf 1827 een meisjesschool te Dordrecht tot haar dood in 1865. Hester vertrekt naar Wijngaarden als onderwijzeresse op 6-1-1853. Ze vestigt zich als gouvernante op 10-12-1856 wederom in het huis van haar moeder in de Grotekerksbuurt A198boven. Vanaf circa 1860 is dochter Hester als hulponderwijzeres (met de aktes Hollandsch, Fransch, Engelsch en Duitsch) werkzaam op de school van haar moeder. Na de dood van M.M. Smaasen-Hofman opent Hester Smaasen op 1 augustus 1865 haar eigen school. Het schoolgeld bedraagt f 75 per jaar. Er zijn geen hulponderwijzeressen. Op 1 april 1867 wordt de meisjesschool alweer gesloten.

38. de bijzondere school voor meisjes van Johanna Boeglos.
O
p 17 oktober 1866 opent Johanna Boeglos (*Vlaardingen 6-7-1833) een bijzondere meisjesschool, voorlopig in één van de lokalen van de heer Van Peere. Als hulponderwijzeres op deze school is aangesteld Henriette Maria Klerk de Reus (*1845). In 1868 wordt de in Napels geboren Emilie Elise Kügler (*1848) aangesteld als kwekelinge. Zij krijgt in mei 1868 vergunning om in Nederland onderwijs te geven.  In het eerste halfjaar van 1869 wordt de school bezocht door de heren Struijk en Veth van de Plaatselijke Schoolcommissie. Er is nog geen bewijs gevonden of er handwerklessen op deze school werden gegeven. Per 1 december 1872 wordt de inrichting van J. Boeglos verplaatst naar Leerdam. Te Leerdam opent Johanna in augustus 1878 een inrichting waar een zestal meisjes een huishoudelijke opleiding krijgen.

39. de gesubsidieerde bijzondere school voor meisjes van Rosalie Usener.
De gemeenteraad besluit op 26 juni 1866, dat er door de sluiting van de scholen van mw. De Vries-Kretschmer en mej. Cohen Stuart, behoefte is aan een gesubsidieerde openbare school voor meer uitgebreid lager onderwijs voor ca 60 meisjes van elf jaar en ouder. Diverse hoofdonderwijzeressen uit verschillende plaatsen reageren op de advertentie in de Dordrechtsche Courant. In de gemeenteraad van 19 januari 1867 wordt besloten de vergunning voor te op te richten meisjesschool te geven aan Rosalie Usener (*Fort Bath 1840) uit Leiden. Een drietal meisjes van de opgeheven school van mw. De Vries-Kretschmer, die nog geen 11 jaar zijn, worden toegelaten: Coralie Deking Dura, Anna Broekmeijer en Cornelia Catharina Kuipers. De school wordt op 1 april 1867 geopend. Als hulponderwijzeressen worden aangesteld Louisa Heil (*Parijs 1840), Philippina Christina van Alphen en Geertruida Emilia Braat. Het schoolgeld bedraagt f 54 per jaar. De school bestaat uit vier klassen, die elke week 29 uur les krijgen in lezen, schrijven, rekenen, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkunde, Frans, Engels, Duits, handwerken en opstellen. In de eerste klas krijgen de meisjes drie uur handwerkles; in de hogere klassen twee uren per week. Op 22 maart 1870 krijgt Rosalie Usener toestemming van de gemeenteraad om het aantal leerlingen voor één jaar uit te breiden tot 75 meisjes, op voorwaarde dat er een vierde hulponderwijzeres komt. Mej. J.M. Lange wordt tijdelijk benoemd als nieuwe hulponderwijzeres. Het leerpan dat R. Usener in juli 1870 inlevert bij de schoolcommissie, vermeldt vijf klassen, die elk 29 uren per week les krijgen. Wegens de oprichting van de Middelbare Meisjesschool (Steegoversloot) wordt de subsidie aan de school van Rosalie Usener per 1 september 1872 ingetrokken. Op haar eigen verzoek wordt de subsidie begin 1872 al ingetrokken, omdat ze dan een school zal openen waar ze de meisjes onderwijs zal geven ter voorbereiding op de Middelbare Meisjesschool (net als op de school van mej. Nielsen). In juli 1873 wordt de school van Usener definitief gesloten. Al die tijd heeft ze kosteloos gebruik gemaakt van een lokaal in de Berckepoort. De school wordt voortgezet door mej. A.W. Mühring, de naamgeefster aan de huidige School Mühring. Al in het eerste jaar verhuisd de school naar het rijstpakhuis van Van Schaardenburg in de Grotekerksbuurt. Het gemeentelijk lokaal in de Berckepoort wordt vervolgens gebruikt door de nieuwe gesubsidiëerde meisjesschool van mej. Breunissen Troost.
Rosalie Usener (1840-1899) trouwt op 20 augustus 1873 met de 52-jarige weduwnaar Gerardus ’t Hooft (1820-1881), die elf kinderen heeft uit zijn eerdere huwelijk. Uit het huwelijk volgt nog: Johan Gabriel Lodewijk ’t Hooft (1874-1876), Johan ’t Hooft (1876-1876), Rosalie Gerarda ’t Hooft (1877-1877) en Rosalie Gerarda ’t Hooft (1878-1879).


40. de Christelijke Bewaarschool in de Steenstraat C1314

Deze bewaarschool voor kinderen tussen de 2 en 6 jaar wordt begin 1869 geopend. De werkzaamheden bestaan uit lichaams-, verstands- en geheugenoefeningen. Hoofdonderwijzeres Maria Sophia Brouwer is volgens het  reglement van 25-1-1869 ook bevoegd om ’onderwijs te geven in de nuttige en fraaie handwerken aan kinderen boven den leeftijd van vijf jaar, in de uren buiten den schooltijd’. Op 31 januari 1869 telt de school 10 jongens en 9 meisjes die onder toezicht staan van één onderwijzeres. Op 31 januari 1870 bestaat de bewaarschool uit een onderwijzeres, een helpster en 13 jongens/28 meisjes.
In maart 1880 wordt Christina van Alphen-de Ronde aangesteld als hoofdonderwijzeres van de bewaarschool en voor het onderwijs in de vrouwelijke handwerken. Christina is een dochter van de al genoemde A.M. de Ronde-de Geus (eigenaresse van een naaiwinkel). Vanaf ca 1858 was Christina de Ronde eerst kwekeling en later hulponderwijzeresse op de eerste stadstussenschool in het Hof. In deze betrekking was ze hoofdonderwijzeres bij de handwerklessen op die school. Samen met 4 helpsters moest ze zo’n 168 meisjes het breien en naaien (individueel) aanleren.
Het schoolgeld voor de bewaarschool bedraagt f 0,80 per maand, die voor de vrouwelijke handwerken f 1 p/mnd.


41. de avondschool van Philippina van Maarseveen en Elizabeth Pennock.
Op 28 september 1879 berichten Ph. van Maarseveen (Bagijnhof D866) en Elizabeth Pennock (Wijnstraat B57) dat zij nog enige leerlingen kunnen plaatsen op hun avondschool waar ze les geven in handwerken. Philippine is in 1880/1881 helpster bij het handwerken op de eerste tussenschool. Philippina (1855-1931) vertrekt in oktober 1882 naar Amsterdam. Elizabeth Pennock vertrekt net als haar ouders in 1881 naar Delfshaven.

42. mejuffrouw C. Panhuizen.
Mej. C. Panhuizen woont heel kort te Dordrecht op de Singel hoek Spuiweg E565ff. In 1881 plaatst ze 'als onderwijzeres in kunst en wetenschap' een aantal advertenties in de krant, waarin ze vermeldt dat ze les kan geven in het twee kousen tegelijk breien op vier naalden, in het maken van kunstbloemen van stof, het wassen en verven van hoedenveren en het glimmend strijken. In 1887 geeft ze dezelfde lessen te Gorinchem tegen een veel lager tarief.

43. Elisabeth Cornelia van den Bergh.
E.C. van den Bergh (Kasperspad E482) is onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken. Bij haar kunnen er in juni 1881 leerlingen geplaatst worden. Haar moeder is weduwe; zij doet strijkwerk en fijne wassen. Elisabeth en haar moeder vertrekken april 1884 naar Apeldoorn.

44. Cornelia Maria van Strij.
In maart 1885 haalt Maria te Den Haag het diploma in de nuttige handwerken. Half april biedt ze (Varkenmarkt 48) zich aan via een advertentie tot het geven van handwerkles.

45. J. van Rijn.
J. van Rijn (Houttuinen 10rood) geeft vanaf 1 november 1885 onderwijs in de nuttige en fraaie handwerken ’s avonds van 6 tot 8 uur.

46. Anna Hermina Modderman.
Anna Hermina Modderman (geb. Winschoten 11-7-1868) behaald bij het examen te Assen in 1888 de aktes van bekwaamheid in de nuttige en fraaie handwerken. Op 15 december 1888 woont ze op de Aelbert Cuijpsingel 23 en geeft ze volgens de Dordr. Courant privaatlessen

47. Alida Johanna Maria Leijenaar.

In maart 1889 zijn de Rotterdamse geëxamineerde onderwijzeressen Ida Leijenaar en M. Smits bereid bij genoegzame deelneming om lessen te geven in Dordrecht als voorbereiding op de staatsexamens in de nuttige en fraaie handwerken. Alida (* Rotterdam 8-7-1865) behaalt in 1891 bij het examen in Den Haag de akte in bekwaamheid voor de fraaie handwerken.

48. Alida Cornelia van der Veer.
Mej. A.C. van der Veer (*5-7-1867), haalt de akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de nuttige handwerken in 1887 in Den Haag. Op 6 maart 1890 haalt ze de akte voor de fraaie handwerken. Direct daarna biedt zij (Groenmarkt 18) zich aan tot het geven van (huis)onderwijs in de nuttige en fraaie handwerken. Op 13 februari 1893 treedt ze (bij volmacht) in het huwelijk met Leendert Korthals, werkzaam als opzichter op Cheribon (Ned.-Indië).

49. Anna Maria Wensch.
Anna Maria Wensch (* 1-6-1869), haalt de akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de nuttige handwerken in 1887 in Den Haag. Op 7 maart 1890 haalt ze de akte voor de fraaie handwerken. Op 20 maart d.a.v. biedt zij (Wijnstraat 34) zich aan tot het geven van lessen in die vakken. Op 30 april 1896 trouwt ze met Jan Dirk van Peere.

50. Anna Pels.

Anna Pels (geb. Dordrecht 3-7-1872), dochter van een kleermaker, haalt in 1891 in Den Haag de akte van bekwaamheid in de nuttige handwerken en het jaar daarna de akte in de fraaie handwerken. Op 2 maart 1892 vestigt zij (Wijnstraat 15) zich als onderwijzeres in de nuttige en fraaie handwerken. Op 19 augustus 1897 trouwt Anna met de onderwijzer Leonard Jacob den Hartog.


51. Johanna Katharina Eijdman (zich noemende mej. J.C.).
De in Dordrecht wonende mej. J.C. Eijdman (geb. Werkendam 23-1-1875) haalt in 1894 de akte van bekwaamheid in de nuttige handwerken, en in 1897 die in de fraaie handwerken. Van 1894 tot 1897 is de helpster bij het onderwijs in de handwerken op een lagere school. Begint maart 1897 beveelt zij (Vrieseweg 29rd) zich aan tot het geven van privaatlessen in de fraaie handwerken (naaldkunst). Vanaf 1 september 1897 opent ze een ochtendcursus voor nuttige en fraaie Handwerken. Ze is dan leerlinge aan de Rotterdamsche Industrieschool. Twee jaar later, in maart 1899, geeft ze les in de nuttige en fraaie handwerken. Op 22 september 1904 trouwt Johanna met Jan Theodorus Beljers.

52. Maria Johanna de Roo.
M.J. de Roo (*2-3-1876) behaalt in 1895 het diploma in zowel de nuttige als de fraaie handwerken. Ze wordt direct helpster bij het onderwijs in de handwerken voor meisjes op gemeenteschool nr. 5. Eind september 1900, 1901 en 1902 begint haar cursus Maatknippen en zelfvervaardigen van dames- en kindermodes volgens het nieuwste systeem van de Amsterdamse mode-academie. Ook vanaf september 1910 geeft ze een cursus maatknippen. Ze is dan in bezit van een diploma van zowel de modeacademie te Amsterdam als te Brussel. De modevakschool in het Kromhout bestaat nog in 1949.


Aanvullingen op de lijst met meisjes- en handwerkscholen vermeld in deel 1:

(gebruikmakend van dezelfde nummering als in deel 1)

4. Petronella Johanna van der Want.
Op 15 januari 1858 telt haar kleinkinder- of maitressenschool in de Vriezestraat 46 kinderen (6 jongens/40 meisjes). Haar school is bij wettelijke vergunning in 1828 gevestigd. De op dat moment overige negen maitressenscholen zijn later (zonder toestemming) er bijgekomen. Op 28 februari 1861 zijn er 10 jongens en 30 meisjes. In de opgave van 30 juni 1862 wordt de school van P.J. van der Want niet genoemd, omdat het dan uitsluitend een brei- en naaischool is. Op 31 maart 1863 zijn er op de school 20 meisjes, op 31 januari 1865 10 jongens/10 meisjes, op 31 januari 1866 21 jongens/26 meisjes en op 31 januari 1867 5 jongens/12 meisjes. Op 31 januari 1869 is de maitressenschool van Vrouw van der Want de enige overgebleven maitressenschool in Dordrecht met daarop 12 jongens en 8 meisjes. De overige 9 scholen zijn de stedelijke bewaarschool (Bagijnhof), de bewaarschool van de NH diakonie en van de R.K. gemeente, de Christelijke Bewaarschool (Steenstraat) en de vijf bijzondere bewaarscholen van mej. Govers, Reus, de Waal, Vliegenthart en de weduwe Kunst-van den Heuvel.
Op 31 januari 1875 telt de kinderschool van P. van der Want 2 jongens en 8 meisjes.

11. Johanna Cornelia Govers.
De bijzondere bewaarschool van Johanna Cornelia Govers telt op 15 januari 1858 11 jongens en 19 meisjes onder het toezicht van 1 (hoofd)onderwijzeres en 2 hulponderwijzeressen/helpsters.  In 1861 zijn A.W.E. Baar en Emmerina Hartman (15 jr) als kweekeling werkzaam op de school. Op 28 februari 1861 zijn er 16 jongens en 20 meisjes op de bewaarschool; op 30 juni 1862 16 jongens/14 meisjes; op 31 maart 1863 16 jongens/17 meisjes; op 31 januari 1865 14 jongens/16 meisjes; op 31 januari 1866 14 jongens/15 meisjes; op 31 januari 1867 15 jongens/10 meisjes; op 31 januari 1869 10 jongens/13 meisjes.
Op 27 april 1866 heeft L.F. Dooremans een klacht over de onderwijzeres J.C. Govers, nl dat J.C. Govers (in het bijzijn van andere kindermeisjes die kinderen kwamen halen) tegen de knecht van Dooremans heeft gezegt dat zijn zoontje van drie jaar oud zo smerig naar school komt, dat J.C. Govers hem niet bij andere kinderen kan plaatsen. Verder schrijft Dooremans in zijn klacht, dat mej. Govers ook tegen zijn knecht heeft gezegd: ’
dat mijne kinderen zoo veel ongedierte hadden op het hoofd dat dezelve op de lei rolden, dat zij altijd het hoofd krabben, dat zij niet wist waar ze te bergen als er soms eene fatsoenlijke dame op haar school kwam en dat zij wel jodenkinderen (waarschijnlijk die van Zadoks) op school had gehad die vuil waren, maar dat die nog proper waren in vergelijking van de mijne.’ De vrouw van Dooremans was die afgelopen maandag nog op de school geweest om melding te maken dat hun 7-jarige dochter naar de school van Johannes Schenk zou gaan. Toen heeft mej. Govers niets tegen de moeder gezegd over evt. luizen op het hoofd van hun zoontje. Wel was ze ontevreden dat er een kind van school ging (i.v.m. met minder schoolgeldinkomsten).
In september 1869 meldt Johanna Ponsen (*16-1-1851), op dat moment de enige helpster bij mej. Govers, samen met 22 andere helpsters van andere scholen, zich aan om de lessen ter opleiding tot bewaarschoolhouderesse te volgen.


17. Anna Margaretha Isensee-Roozeboom.
A.M. Isensee-Roozeboom heeft tot haar vertrek uit Dordrecht in 1882 haar handwerkschool gehad in Wijnstraat B16. In de adresboeken 1865, 1868 en 1879 staat bij dit adres vermeld: Burgerschool voor meisjes, School en Pakhuis en school. In juli 1882 bericht mej. L.J. Veth, dat zij verscheidene jaren mej. Isensee heeft ter zijde gestaan bij haar onderwijs. Mej. L.J. Veth neemt de handwerkschool in het lokaal in de Wijnstraat B16 (naast het museum) over.

22. Grietje Maria Lambert.

Mej. G.M. Lambert wordt in oktober 1864 al aangesteld tot onderwijzeres in de handwerken aan de stadsburgerschool (Bagijnhof ) op een jaarwedde van f 100. Over haar bekwaamheid wordt tussen 1867/1874 het volgende vermeld: ‘heel goed’, ‘voortdurend goed’, ‘onderscheidt zich altijd’, ‘betracht immer haar plicht’, ‘geeft voortdurend reden tot tevredenheid, terwijl zij zich de kunst van school te houden heeft eigen gemaakt’, ‘gedraagt zich onderscheidend’, ‘betoont zich altijd vlijtig en goed’, ‘geeft goed onderwijs en beijvert zich altijd in het uitoefenen harer taak’, ‘is steeds flink in de school. G.M. Lambert wordt bij het onderwijs geholpen door een kwekelinge. Begin 1872 wordt ze bijgestaan door de hulponderwijzeres Willemina te Boekhorst. Met zijn tweeën moeten zij 46 meisjes, verdeeld over drie afdelingen, het handwerken bijbrengen. Op 1 augustus 1874 wordt de meisjesafdeling van de burgerschool opgeheven. Mej. G.M. Lambert krijgt eervol ontslag en een gratificatie van f 70. De school aan het Bagijnhof wordt afgebroken i.v.m. met de nieuw aan te leggen weg naar het station. Op de plaats der oude school wordt het Spaarbankgebouw gebouwd.
Mej. G.M. Lambert (Groenmarkt 57) vraagt begin mei 1885 om linnen naai- en verstelwerk. Ook heeft ze dan gelegenheid om leerlingen te plaatsen. Ze hoopt ‘dezelfde gunst te mogen genieten die mij tijdens mijne School te beurt viel’.


24. Petronella Adriana Kunst (later Sillevis)-van den Heuvel
Voordat ze helpster in de handwerken is op de stadstussenschool was Petronella Adriana v.d. Heuvel werkzaam op de meisjesschool van J.C.S. de Vries-Kretschmer. Mevrouw de Vries vindt haar bekwaamheid in het naaien, breien, mazen etc uitstekend. En zij vindt Petronella ook zeer geschikt om onderwijs te geven in het handwerken en om met kinderen om te gaan. Op 11 maart 1868 wordt aan mw. Kunst-v.d. Heuvel door gedeputeerde Staten dispensatie verleend tot het verkrijgen van de acte van algemene toelating als bewaarschoolhouderesse. Nog voor ze van de gemeente Dordrecht vergunning heeft gekregen voor haar bewaarschool, zet Petronella  in haar advertentie in de Dordr. Courant van 20 oktober dat ze haar bewaarschool op 26 oktober 1868 wordt geopend. Op 31 januari 1869 telt de school 11 kinderen: 6 jongens en 5 meisjes. In september 1869 melden haar twee helpsters (Anna Vliegenthart (13-4-1853) en Henr.Cornelia Pieternella v.d. Hummel (*31-7-1857)) zich aan om de lessen ter opleiding tot bewaarschoolhouderesse te volgen bij meester Van Trooijen. Begin januari 1870 wordt de weduwe Kunst-van den Heuvel aangesteld tot onderwijzeresse aan deze inrichting ter opleiding van bewaarschoolhouderessen.  Ze krijgt eervol ontslag uit deze betrekking op de kweekschool op 1 juli 1873.
Op 31 januari 1870 telt haar bewaarschool 13 jongens en 23 meisjes; op 31 januari 1871 20 jongens/24 meisjes; op 31 januari 1872 32 jongens/22 meisjes; op 31 januari 1873 35 jongens/29 meisjes; op 31 januari 1875 29 jongens/33 meisjes; op 31 januari 1876 30 jongens/36 meisjes (5 helpsters). Op 1 augustus 1880 (12 jaar na de opening) wordt de bewaarschool overgedaan aan J.M. Romein-Nolledes. De nieuwe bewaarschool opent haar deuren op het Bagijnhof D857.

26. Geertruida Maria de Waal.

Mej. G.M. de Waal (hulponderwijzeres bij mej. Itz) volgt in 1860-1865 1 à 2 maal per week het onderwijs voor hulponderwijzeressen en kwekelingen op bewaar- en lagere scholen bij meester Johannes Schenk. In deze lessen krijgt ze onderricht in: spraakoefening, getalleer, vormleer, gewijde geschiedenis, geheugen- en aanschouwingsoefening, lezen en onderwijs- en opvoedkunde. In december 1863 krijgt ze na een afgelegd examen de akte van Bewaarschoolhouderesse. Het onderwijs aan hulponderwijzeressen op bewaarscholen blijft ze volgen. De door haar overgenomen bewaarschool wordt in het eerste halfjaar van 1869 bezocht door twee heren van de plaatselijke schoolcommissie. Op 31 januari 1869 telt haar school 20 jongens en 18 meisjes, die onder toezicht staan van 1 onderwijzeres en 2 helpsters. In september 1869 geeft haar helpster Willemina de Greef (*13-11-1853) zich op om de lessen te volgen te opleiding tot bewaarschoolhouderesse bij meester J.H. van Trooijen. Op 31 januari 1870 zijn er 16 jongens en 20 meisjes op de bewaarschool; op 31 januari 1871 18 jongens/18 meisjes; op 31 januari 1872 en 1873 20 jongens/16 meisjes. In 1874 wordt de bewaarschool overgenomen door mej. M.P. van der Koog. Eind januari 1875 telt de bewaarschool 46 leerlingen.

(c) Dordrecht EvD april/mei 2010.