| * * * ARTIKEL 1 : Handwerkonderwijs in de 19de eeuw te Dordrecht * * * (dit artikel is - iets ingekort - gepubliceerd in het digitaal bulletin nr. 34 (januari 2010) van Dordrecht Monumenteel (http://www.dordrechtmonumenteel.nl/)) |
|
’Met
warme hartjes gegeven, met koude handjes genaaid’ |
Iedereen kent wel de oude merklappen en stoplappen die door meisjes
werden gemaakt vanaf de 16de eeuw. Vooral de Friese letterlappen, de de
merklappen uit Marken en die uit Zeeland zijn heel bekend. De geschiedenis van
de Zuid-Hollandse merklap gaat waarschijnlijk niet zo ver terug. Ouderen
merklappen dan van omstreeks 1700 zijn in Zuid-Holland niet gevonden. Merklappen
zijn oefenlappen om het borduren aan te leren, zodat de meisjes later het
linnengoed konden merken met de initialen van de eigenaar en met een cijfer. Dit
cijfer gaf het aantal stuks aan van het betreffende linnengoed. Initialen op
linnengoed waren nodig om de verschillende lakens bij de blekerij uit elkaar te
houden.
Handwerkonderwijs op particuliere scholen (na 1809)
Tot het midden van de 19de eeuw konden de meisjes het merken, stoppen en ook
het breien en naaien leren op particulieren scholen. Verder werd er ook
handwerkonderwijs gegeven op bewaarscholen, diaconiescholen (Ned. Hervormd, R.K.
of Israëlitisch), in weeshuizen en brei- en naaiwinkels. Het gemaakte mochten
de meisjes niet altijd zelf houden. Bij de gezusters Los wordt in 1835 expliciet
vermeld, dat het gemaakte voor de meisjes zelf is. De ouders moeten dan wel
zorgen voor de benodigde stoffen en garens. Kennelijk was het zo dat het
gemaakte handwerk ook wel door de handwerkonderwijzeressen werd verkocht.
In Dordrecht waren tussen ca 1810-1930 de volgende particuliere onderwijzeressen
(scholen), die meisjes les gaven in o.m. vrouwelijke handwerken, actief: (in
chronologische volgorde)
1. Mary Holmes-Hogg.
Mary Hogg is getrouwd met de Engelsman Edward Holmes (*Scorton,
Yorkshire 1782). Edward krijgt in 1806 toestemming voor de functie van
huisonderwijzer in de Engelse taal. Hij (komende uit Rotterdam) adverteert in
1808 dat hij nog plek heeft voor een paar leerlingen. In de patenten van
werkgezellen wordt Mary vermeld als borduurster (1809) en naaister (1810/1811).
Ze opent haar school voor jonge juffrouwen op 12 juni 1809. Ze geeft les in het
linnennaaien, borduren en andere soorten van naaldwerk. Edward Holmes zal de
meisjes het Engels bij brengen. In 1811/1815 krijgt hij (1.76 m lang) een
paspoort voor Londen. In het patentregister van 1815 betaalt Mary Holmes
belasting voor haar naaischool in het Steegoversloot. Edward Holmes komt nog
voor in een belastingkohier van 1818. Daarna is het echtpaar niet meer in
Dordrecht te vinden.
2. Maria Johanna van Arkel wed. Leonard van Diden.
In 1775 is ze te Utrecht van haar man van tafel en bed gescheiden
M.J. van Arkel geeft in Dordrecht lessen in het Frans en Nederlands en in alle
soorten handwerken. In het belastingkohier van 1808 wordt ze vermeld als
houdster van een Franse kostschool (Nieuwstraat C1659).Vanaf 1811 geeft ze ook
les in de geographie, mythologie en in het wollennaaien. Ze overlijdt als
schoolhoudster op 16 september 1814, op 66-jarige leeftijd (Voorstraat
C1073-962). Begin 1815 krijgt haar secondante Johanna Scholten een getuigschrift
om de vacante betrekking van Franse kostschoolhoudster te vervullen (Wijnstraat
B4). In 1818 woont schoolhouderesse Scholten in Wijnstraat B178.
3. het instituut van Maria Uyterlimmege.
Maria (*1773) krijgt in 1809 een paspoort voor Antwerpen. In mei
1812 opent ze - met toestemming van de gemeente Dordrecht - haar instituut
(Wijnstraat B214) waarin ze les geeft in de Hollandse en Franse taal, schrijf-
en rekenkunde en 'in vele schoone Jufferlijke Handwerken'. In het
belastingkohier van 1818 wordt ze als schoolhoudster vermeld (Voorstraat C962).
In 1821 trouwt ze met J.S. Friederich. Ze overlijdt in 1831 te Nijmegen (57
jr.).
4. Petronella Johanna van der Want.
Ze wordt op 6-11-1800 gedoopt als dochter van Cornelis v.d. Want
en Hester Leonarda van Diden. Ze is een kleindochter van de hierbovengenoemde
weduwe Van Arkel. In 1841 heeft ze een avondbreischool. In mei 1850 adverteert
ze (Steegoversloot hk. Augustijnenkamp) dat ze in 30 lessen (à 35 cent per les)
leerlingen les kan geven in het hoedenmaken volgens de Parijse
modetijdschriften. Op 8 september 1858 herdenkt ze dat ze 40 jaar in betrekking
is als schoolhouderesse. Petronella J. v.d. Want viert op 7 september 1868 dat
ze 50 jaar lang onderwijs gegeven heeft in de vrouwelijke handwerken. Ze
overlijdt in 1886.
5. de (gesubsidieerde) Franse kostschool van Maria Margrieta Hofman.
Door het overlijden van Angelique Guichard-Gaineau resp. J.C.
Smaasen-Schaasberg, komen er in 1827 twee vacatures voor Franse kostscholen.
Mej. M.M. Hofman (1797-1865) neemt één van deze plaatsen in. Op 1 oktober
opent zij haar instituut in de Wijnstraat B23, waar ze les geeft in talen en in
het naaien, borduren, het maken van bloemen en andere vrouwelijke handwerken.
Een paar dagen daarvoor is ze getrouwd met Hendrik Smaasen. De school wordt
begin 1847 verplaatst naar Grotekerksbuurt A198. Ze blijft tot haar dood
onderwijzeres.
6. de Franse kostschool van Geertruida Louiza Middelburg.
De tweede vrijgekomen plaats voor een Franse kostschool in 1827
vervult mej. G.L. Middelburg (*Deventer 1800) met haar school. Wegens ziekte
komt ze een week later dan gepland uit Monnikendam, om rond 8/9 oktober te
beginnen met haar school aan de Groenmarkt A208. Ze geeft les aan
jongejuffrouwen in talen en vrouwelijke handwerken. Volgens het belastingkohier
op lantaarns van 1829 is ze onvermogend. In 1831 wordt ze nog vermeld als
schoolhouderesse te Dordrecht.
7. de school van Johanna Antonetta Leemschot-Kerpestijn.
In 1833 wordt de school verplaatst naar Voorstraat C62. Wegens
haar zwakke gezondheid moet Johanna (*1799) de school sluiten op 30 april 1841.
Al drie jaar lang houdt haar zus Hermina Antonia Kerpesteijn (1793-1844) de
school draaiende. Hermina is al acht jaar onafgebroken op de school werkzaam. Op
1 mei 1841 opent mej. H.A. Kerpesteijn haar eigen school in het Steegoversloot
C1174. Zij geeft les in alle vrouwelijke handwerken incl. het maken van
dameskleding.
8. Cornelia en Henriette Gerardina Los.
In oktober 1835 willen de gezusters Los (Voorstraat D266) een
matig aantal kinderen onderwijs geven in het naaien, breien, borduren en andere
vrouwelijke handwerken. In de advertentie staat uitdrukkelijk vermeld: Dat het
werk, het welk de Jonge Lieden zullen verrigten, niet voor hare
Onderwijzeressen, maar voor haar zelven zal zijn. De ouders moeten daarom zorgen
voor de benodigde materialen. Cornelia (*Schiedam 1812) trouwt in 1842 met Arie
Bek, onderwijzer in de zeevaartkunde. Mej. H.G. Los (*1813) woont 1858-1860 bij
haar broer J.A.C. Los. Hij opende in 1850 een Franse/Nederduitse dag- en
avondschool in de Grotekerksbuurt A198.
9. de Franse kostschool van Anna Catharina Wilhelmina Lohmann.
De voormalige Duitse gouvernante bij wethouder J.F. Hofmann te
Rotterdam, opent begin november 1837 haar instituut voor jongejuffrouwen. Ze
geeft les in o.a. verschillende talen, rekenen en schrijven, èn in vrouwelijke
handwerken. Op 16 juli 1842 overlijdt Anna (*Ruhrort) op 29-jarige leeftijd te
Zandvoort. De Franse kostschool voor meisjes wordt overgenomen door haar
secondante Jacoba Mioulet. Mioulet stopt in augustus 1846 met de school. Op 1
september d.a.v. opent Johanna C.S. Kretschmer haar kostschool.
10. de naaischool van Rachel Mozes van Goch.
Volgens het jaarboek 2003 van Oud-Dordrecht gaat Kato (Helena K.,
geb. 1829), de dochter van Pieter Uittenbogaard, in juni 1839 naar de naaischool
van de juffrouwen Van Goch. In 1840 gaat ook de andere dochter Elisa naar deze
dames. Er moet per leerling f 14 als entreegeld en f 14 bij het verlaten der
school betaald worden en f 5 jaarlijks voor vuur- en theegeld. In maart 1841
gaan de twee meisjes ook nog bij juffrouw P.J. van der Want op de
avondbreischool. Rachel van Goch trouwt in 1846 met Isaac Samuel Rippe. Tussen
1855 en 1873 is Rachel Rippe-van Goch (*1813) naaister/winkelierster op de
Groenmarkt A5. In een advertentie van begin 1856 - nadat haar man failliet is
gegaan en vervolgens in New Orleans is overleden - biedt ze zich aan om aan
gegoede meisjes tussen de 13-16 jaar het wollennaaien aan te leren.
11. de dag- en avondschool van Johanna Cornelia Govers.
Ze opent haar school (Groenmarkt A275) in september 1842. Mej.
Govers (*Middelburg 1811; onecht) geeft les in het breien, naaien en alle
vrouwelijke handwerken. Op 1 februari 1843 verhuist haar school naar de
overkant: Groenmarkt A27 en begin 1845 weer naar A275. Ten huize van haar moeder
de weduwe C.B. Insensee-Govers (1787-1858) zet ze haar school voort. Haar school
wordt in 1846 officieel door de Schoolcommissie erkend. Op 15 september opent
J.C. Govers haar bewaarschool (een kleine kinderschool voor de fatsoenlijke
stand) in de Grotekerksbuurt A199. Naast de gewone vorming, krijgen de meisjes
onderricht in handwerken en de jongetjes les in het knopen van netten. In
augustus 1847 vraagt ze om een meisje met bekwaamheid in het handwerken, die
haar kan assisteren op de school. In september 1848 adverteert Govers dat ze,
gedurende het winterseizoen, lessen geeft op haar avondschool aan meisjes die
ouder zijn dan 6 jaar. In 1849 wordt het schoollokaal aanmerkelijk vergroot.
Mej. Govers krijgt in februari 1852 toestemming van de schoolcommissie om het
avondonderwijs in vrouwelijke handwerken ook gedurende de zomer te geven.Tussen
1854-1868 blijft ze vermeld als onderwijzeres op de bewaarschool in de
Grotekerksbuurt A199. Begin 1867 komt er een hulponderwijzeres uit Rotterdam die
de methode van Fröbel kent. Op 24 juni 1871 maakt ze haar testament voor
notaris Schultz van Haegen. Ze is geen onderwijzeres meer en ze woont dan in de
Lenghenhof. Ze overlijdt op 23-11-1895 (84 jr.).
12. de school van de Catharina Johanna Hendrika van Buren.
Haar man C.J. de Vogel (*1809) is een Frans kostschoolhouder en
hij overlijdt in mei 1842 bij de Kop van 't Land (Dubbeldam). Op 1 september
1842 opent zijn weduwe (met toestemming van de gemeente) haar kinderschool in
het Steegoversloot C994. Aan de meisjes zal zij onderwijs geven in handwerkjes.
In 1844 verhuist ze naar de Voorstraat C1344. Door verbetering van het lokaal
kan ze 's avonds tussen 5 en 7 uur les geven in de vrouwelijke handwerken. Begin
mei wordt de school verplaatst naar de Vriesestraat hoek Korte Breestraat D922.
De tuin wordt tot speelplaats ingericht. Op 18 april 1851 wordt de school
opgeheven. Haar opvolgster mej. A.E. Schreuders opent haar bewaarschool aan de
Varkenmarkt B264. Catharina J.H. van Buren (* Middelburg 1812) hertrouwt op 23
april 1851 met Willem van Roosendaal. Ze overlijdt op 19 april 1852, 40 jaar
oud.
13. de (gesubsidieerde) Franse kostschool van Johanna Cath. Sam. Kretschmer.
Op 1 september 1846 open mej. J.C.S. Kretschmer (1820-1902) haar instituut in de
Wijnstraat. In 1850 trouwt ze met G.I. de Vries, organist van de Grote Kerk. Op
8 mei 1862, de dag van de onthulling van het standbeeld van Arij Scheffer, geeft
ze haar school vrijaf. De school wordt in mei 1867, na meer dan 20 jaar,
opgeheven. Tot 20 mei kunnen de nog te betalen openstaande schoolgelden worden
betaald.
14. weduwe Kammerman en Hester Elizabeth Evenwel Schakel.
In 1851 melden zij in een krantenbericht dat zij zich gevestigd
hebben op de Groenmarkt A209. Naast hun gewone arbeid hebben zij gelegenheid om
onderwijs te geven in het wollennaaien en in alle andere soorten handwerken.
15. de Nederduitse bijzonder school voor meisjes.
Begin 1852 geeft de Schoolcommissie toestemming voor de
oprichting van deze school. De school wordt geopend op 29 maart van dat jaar in
de Wijnstraat B23 (zie: school van Smaasen-Hofman). Op de school zal er les
gegeven worden in alle vakken van het lager onderwijs. En er zal gelegenheid
zijn tot het aanleren van vrouwelijke handwerken: het linnen- en wollennaaien,
breien etc. De hoofdonderwijzer is Johannes Schenk (1814-1867). Hij moet zich
laten bijstaan door alleen vrouwelijk personeel. In 1857 zou het lokaal te
bouwvallig zijn om er les te geven. De school wordt in ca 1858/1859 verplaatst
naar Groenmarkt A16. Na zijn overlijden biedt zijn weduwe Bernardina
Schenk-Mijnderts de gehele school ter overname aan. Deze wordt overgenomen door
mej. N.W. Nielsen.
16. de naai- en breischool van Anna Catharina Berlijn.
Haar school geeft in 1855 f 9 als gift voor de
watersnoodslachtoffers. In 1860 is ze naaischoolhoudster op de Nieuwbrug B38.
Haar leerlingen zamelen in 1861 wederom geld in (f 13,40) voor het goede doel.
A.C. Berlijn overlijdt in 1864 op 57-jarige leeftijd (Voorstraat C71).
17. Anna Margaretha Isensee-Roozeboom.
Op 17 februari 1858 trouwt A.M. Roozeboom (*1827) met F.W.
Isensee (halfbroer van mej. J.C. Govers). In 1858 adverteert ze (Voorstraat C44)
dat ze aan schoolgaande kinderen les geeft in het breien, naaien en alle
handwerken van nut en smaak. Rond mei 1865 verhuist ze naar Lange Breestraat
D667. In het adresboek van 1868 staat A.M. Isensee-Roozeboom nog vermeld als
onderwijzeres in vrouwelijke handwerken. In 1882 vertrekt ze met haar man naar
Rotterdam. Aldaar overlijdt ze in 1895.
18. de Franse kostschool van Joanna Jacoba Cohen Stuart.
In november 1859 heeft zij het voornemen om aan ca 30 'jonge
juffouwen' les te geven in talen (incl. Italiaans), vakken van het lager
onderwijs en in de vrouwelijke handwerken. Ze is in bezit van o.a. de akte van
schoolhouderes (april 1850) en van de akte van bekwaamheid. J.J. Cohen Stuart
(*Den Haag 1826) woonde van 1845 tot 1859 in Delft. In de Dordtse adresboeken
1860/1865 staat ze als onderwijzeres vermeld (Wijnstraat B136 resp. B142). In
1861 ontvangt de predikant te Zuilichem van de school een mand met vrouwelijke
kledingstukken voor de noodlijdenden uit zijn kerkgemeente, onder het motto: Met
warme hartjes gegeven, Met koude handjes genaaid. Het damesinstituut geeft aan
de slachtoffers van de brand in maart 1864 te Papendrecht 3 kinderrokken, 4
kinderbroeken en 1 meisjeshemd. Na 1865 vertrekt ze naar Wageningen (Bassecour
A284) voor een post als hoofdonderwijzeres. In 1871 wordt ze benoemd tot lerares
aan de Middelbare Meisjesschool te Arnhem. Ze overlijdt te Den Haag op 25-9-1905
(79 jr).
19. de naaischool van de gezusters Hartgers.
In 1855 is Hendrika Hartgers (*1818) wollennaaister in Voorstraat
D97. Hendrika trouwt in 1858 met Hermanus Bremekamp.
Begin 1861 houden de Gez. Hartgers een loterij van de door hen gemaakte
vrouwelijke handwerken. De opbrengst (f 32,50) is voor de slachtoffers van de
watersnood.
20. Elisabeth Cornelia Hoskorn.
Mej. E.C. Hoskorn (*1833) vestigt zich eind mei 1856 als
onderwijzeres in de vrouwelijke handwerken in het Steegoversloot C1006. Begin
juni trouwt ze met schoenmaker W.L. van der Stek. In 1858 heeft ze een winkel,
waar ze ook alle soorten dameshoeden (ver)maakt (Voorstraat D99).
21. de school van de gezusters Van der Noordaa.
Begin 1860 is Henriëtte Louisa van der Noordaa (1833-1909) van
plan samen met haar zus Catherine Adolfine (1839-1916) een school voor
jongejuffrouwen te beginnen, waar ze les zullen geven in talen en als bijvak de
vrouwelijke handwerken. Henriëtte trouwt in 1862 te Batavia met Jan Willem
Kroon. Beiden zussen overlijden te Ede. (Henriëtte kon zeven talen spreken en
Catherine v.d. Noordaa heeft in 1849 (op school) een merklap gemaakt. Mogelijk
was het dus zus Catherine die de handwerklessen gaf omstreeks 1860. (bron:
achterachterkleinzoon mr Bill Amborn (Oregon))).
22. Grietje Maria Lambert.
Op 1 mei 1867 heeft mej. G.M. Lambert (*Gouda 1830) gelegenheid
op onderwijs te geven aan kinderen in de vrouwelijke handwerken van nut en smaak
en in het linnen- en wollennaaien. In 1870/1871 is ze helpster in de handwerken
op de Burgerschool aan het Bagijnhof. Begin 1873 adverteert geëxamineerd
onderwijzeresse Lambert (wijk E44) dat ze onderricht geeft in handwerken van nut
en smaak, ook als voorbereiding op het examen in dit vak. Ze opent in augustus
1874 een winkel in o.a. dameshandwerken, garen en band in de Vriesestraat C1654.
In 1880 gaat ze naar het krankzinnigengesticht.
23. dag-en avondschool van de weduwe Helena Sara Willemina Boudewijna
Minnigh-Straatman.
Mevr. Minnigh-Straatman (* 14-12-1837) vermeld in juli 1868 - nog
geen half jaar na het overlijden van haar echtgenoot - dat ze een aantal meisjes
uit de fatsoenlijke stand les kan geven in de nuttige en fraai handwerken van
9.00-12.00, 14.00-16.00 en 17.00-19.00 uur. In de tussenliggende uren kan ze
privélessen geven in andere vakken waarvoor ze gekwalificeerd is. In 1869
adverteert ze dat ze les geeft in het linnennaaien, mazen en verdere handwerken,
en privélessen geeft in de Franse taal. In 1872 wordt ze als lerares op de
Middelbare Meisjes School (hk. Steegoversloot/Schoolstraat) benoemd. In de
avonduren blijft ze les geven in o.a. nuttige handwerken, als voorbereiding op
het examen in dit vak, dat met regelmaat in Den Haag wordt gehouden.
24. de avondschool van Petronella Adriana van den Heuvel.
Van juni 1859 tot oktober 1860 is P.A. van den Heuvel eerste
onderwijzeres in de handwerken op de stadstussenschool in het Hof. In april 1860
is ze getrouwd met met zeekapitein Gerrit Kunst; hij overlijdt in 1867. De
weduwe Kunst-v.d. Heuvel (*Amsterdam 1833) opent op maandag 26 oktober 1868 een
bewaarschool. In mei 1869 opent zij een avondschool waar zij kinderen de nuttige
en fraaije dameshandwerken aanleert. In september 1869 herinnert P.A. van den
Heuvel de Dordtse inwoners er aan dat zij een avondschool (Houttuinen A163)
heeft waar ze onderwijs geeft in het naaien, verstellen en mazen. Ze hertrouwt
in 1872 met G. Sillevis. Daarna wordt ze, in ieder geval tot 1879, vermeld als
bewaarschoolhoudster.
25. de school van Neeltje Wilhelmina Nielsen.
In 1867 neemt mej. N.W. Nielsen (* Oudewater 26-8-1840) de
school(inventaris) over van J. Schenk. Samen met Johanna Wilhelmina Grashuis-van
den Berg breidt ze in 1871 de school (hoek Wijnbrug), waar ze les geven in de
vakken van het lager onderwijs, verschillende talen en dameshandwerken, uit. Van
hun school willen ze een school maken als voorbereiding op de op te richten
Middelbare School voor Meisjes. De weduwe Grashuis keert - na nog geen 2 jaar in
Dordt te zijn geweest - in augustus 1873 terug naar haar geboorteplaats
Hellevoetsluis. N.W. Nielsen (1840-1891) vertrekt augustus 1874 naar Den Haag.
26. de brei-, naai- en handwerkschool van Geertruida Maria de Waal.
Haar moeder Apolonia van Wijck (1803-1862) is rond 1850
schoolhoudster in Wijnstraat B121. Op 1 november 1868 neemt dochter G.M. de Waal
(*1839) - nadat ze er acht jaar werkzaam is geweest - de bewaarschool over van
A.E. Itz-Schreuders (1825-1895) gevestigd in de Breestraat D662 (zie: school
wed. de Vogel-van Buren). Tegelijkertijd richt ze een breischool op waar ze 's
avonds van 5 tot 7 uur les zal geven. Vier jaar later plaats ze een advertentie
waarin ze vermeldt dat ze op 1 oktober 1872 een brei-, naai- en verdere
handwerkschool opent ('s avonds van half 6 tot half 8). Kennelijk zijn de
breilessen uitgebreid met andere handwerklessen. Ze trouwt in 1873 met de
evangelist Theodorus Kousbroek. In 1876 verhuist ze naar Loghem.
27. Frederika de Vries.
Op 1 juli 1873 opent Frederika (geëxamineerd onderwijzeres
wonende Spuiweg E567) haar school in het huis van de weduwe B.J. Fraterman-Swets
in de Grotekerksbuurt A199 (zie: school mej. J.C. Govers). Ze geeft kinderen les
in vrouwelijke handwerken van nut en smaak. Tussen 1875-1877 is ze helpster bij
het onderwijs in de handwerken op de 1e Stadsarmenschool in de Vriezestraat, en
in 1878-1880 op de 2de Stadsarmenschool (Vest). Frederika (*1854) trouwt in
1881met Henderik Wember Mast, vanaf ca 1886 portier van Hotel Coomans te
Rotterdam. Ze overlijden aldaar resp. in 1897 en 1899.
28. Adriana Rutten.
Vanaf ca 1884 is Adriana Rutten (* 1-4-1841) één van de acht helpsters bij het
onderwijs in de nuttige handwerken op de gemeenteschool nr. 2 (was
Eerste-Stadstussenschool) in het Hof en later ook onderwijzeres aan de Rijks
Normaalschool aan de Voorstraat. In 1888 wilt ze een cursus op de dinsdagmorgen
in het nuttige en fraaie handwerken te Gorinchem gaan geven, als voorbereiding
op het examen in dat vak. In maart 1895 slaagt haar leerlinge A. Valkenier de
Greeve voor dat examen. Adriana Rutten, dochter van de beroemde Dordtse
kunstenaar Johannes Rutten (1809-1884) en Mathilda Maria van Strij (1813-1878),
overlijdt 26 augustus 1917 (76 jr.). Ze wordt in hetzelfde graf als haar vader
begraven.
29. de school van Louisa Johanna Veth.
Mej. L.J. Veth (* Zutphen 1859) wordt voor het eerst in 1885 vermeld als
onderwijzeres in het handwerken. Vanaf 1894 is de helpster bij het onderwijs in
het handwerken op de gemeenteschool nr. 6 aan de Hellingen. Mej. L.J. Veth woont
aan de Hellingen 41, maar gebruikt een lokaal in de Wijnstraat 104 (de Openbare
Leeszaal en Bibliotheek). Daar geeft ze vermoedelijke tussen 1887-1899 lessen in
de nuttige handwerken. Tot ca 1916 blijft ze onderwijzeres in het handwerken in
Dordrecht. Ze overlijdt in Dieren op 11-1-1939.
30. de handwerkschool van Diderika van Geel.
In maart 1895 slaagt mej. D. van Geel (1864-1951) voor het akte-examen in de
nuttige handwerken te 's-Gravenhage. Ze wordt in 1899 benoemd als
vakonderwijzeres in de nuttige handwerken. Rond 1908 begint ze een
handwerkschool in een bovenlokaal van het gebouw van Pictura. Tussen 28 juli en
2 augustus 1909 kunnen belangstellenden tegen betaling van 10 cent aldaar het
werk van haar leerlingen komen bekijken. Volgens de advertentie van 1915
verzorgt Diderika van Geel opleidingen voor de examens in het Costuumvak (Ned.
Modevakbond) en voor de examens Nuttige en Fraaie Handwerken. De leerlingen uit
het jaar 1915/'16 en van 1916/'17 slagen allemaal voor hun examens.
Omstreeks 1925 verhuist de handwerkschool naar Reeweg Oost 9. In augustus 1927
adverteert mej. D. van Geel met haar Handwerk- en Modevakschool (Gravenstraat 1)
voor de opleiding voor alle examens van de Ned. Modevakbond. In 1930 komt haar
school niet meer voor. In Dordrecht is er dan wel een vestiging gekomen van de
Utrechtse Modevakschool E.N.S.A.I.D.
[illustratie:
merklap C.A. v.d. Noordaa, Dordrecht 1849]
De hier afgebeelde merklap (ca 34 x 34 cm) is in 1849 gemaakt door de
Dordtse Catharina Adolphina van der Noordaa (1839-1916). Elke letter van het
alfabet heeft zij twee keer in kruissteken geborduurd. Ze was tien jaar toen ze
per ongeluk het jaartal 1840 op haar borduurlap borduurde i.p.v. 1849. Elke
tiende horizontale draad van het stramien is een geelgroene draad. Voor de jonge
Catharina was dit een goed hulpmiddel om haar letters en cijfers netjes op één
horizontale lijn te borduren. Mogelijk heeft Catharina A. van der Noordaa haar
lessen gehad bij één van de bovenstaande handwerkonderwijzeressen. De
diaconiescholen en weeshuizen gaven meestal les aan kinderen van minvermogende
ouders. De particulieren scholen waren meer voor de 'fatsoenlijke stand'.
Tussen ca 1860-1862 heeft Catharina A. van der Noordaa voor een korte tijd samen
met haar zus een particuliere school gehad, waar zij mogelijk les in handwerken
gaf, en haar zus les gaf in o.a. Engels, Duits en Frans.
Vanaf 1855 handwerkonderwijs op gemeentescholen
In 1854 vindt de Schoolcommissie dat meisjes meer naar hun behoefte gevormd
en onderwezen moeten worden. Meisjes bezoeken de school veel korter dan jongens.
Vaak is het geval dat meisjes als ze 7 1/2 jaar oud zijn op school komen, en de
school alweer verlaten als ze 9 of 10 zijn. En wanneer ze naar school gaan, zijn
ze ook nog vaak afwezig door ziekte of omdat ze thuis moeten meehelpen.
Na de korte schooltijd, vertrekt een meisje naar de brei- of naaiwinkel. De
naaiwinkels behoorden vaak tot het weeshuis, de kerk of een andere instelling.
In deze naaiwinkels zijn de meisjes meer tot nut van de naaivrouw, dan dat de
meisjes echt iets leren: "De naaivrouwen zijn geheel onbekend met de
regelen van opvoeding en onderwijs. Vele kinderen, die er gezond en regt van
lijf en leden kwamen, komen er dikwijls scheef en ongezond van daan. Gesprekken
worden gehouden die te zedelijkheid der meisjes ondermijnen, verkeerde lusten
opwekken en den grond leggen van ligtzinnig- en losbandigheid. Kortom, zeer veel
kwaads is aan het verblijf op die naaiwinkel te wijten."
De openbare stadsschool in de Statenzaal in het Hof (opgericht in 1837) breidt
in 1854 de school uit door er een vleugel aan te bouwen (afgebroken in 1906).
Door deze vergroting van de eerste stadsschool van Dordrecht, is de school in
staat om meisjes les te geven in het breien en naaien. Dit op een betere wijze
èn in een kortere tijd dan dat op de naaiwinkels gebeurt.
In 1855 wordt het nieuwe lokaal in gebruik genomen. De school in het Hof wilt,
voordat ze echt met de handwerklessen beginnen, eerst in een proefperiode les
geven aan de oudste meisjes, die daarvoor geschikt worden geacht. Aan deze
meisjes zal onderwijs gegeven worden in eenvoudig breien en naaien. Vanaf
september 1855 adverteert de school dat ze voortaan meisjes lesgeven in het
naaien en breien. Volgens het verslag over 1855 geeft de proef met de
vrouwelijke handwerken bevredigende resultaten.
In de Lager Onderwijswet van 1857 werden de 'nuttige handwerken voor meisjes'
voor het eerst opgenomen als (een niet verplicht) schoolvak. Het vak werd
voornamelijk gebruikt op het hoge schoolverzuim bij meisjes terug te dringen.
Eind 1858 worden de verschillende reglementen opgemaakt voor het onderwijs in de
handwerken aan meisjes op de stadsarmen- en stadstussenscholen te Dordrecht. Het
doel is om meisjes zoveel mogelijk te bekwamen in het breien, naaien, stoppen en
merken. Elke maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag krijgen ze na schooltijd van
16.00-18.00 uur les. Op de armenscholen wordt kosteloos voorzien in naalden,
naaigaren en breiwol. De ouders/verzorgers moeten wel de kinderen voorzien van
de evt. te gebruiken stoffen. Op de tussenscholen moeten de ouders voor alle
benodigheden zorgen.
In de archieven worden de handwerklessen op de stadsarmenschool in de
Vriezestraat vermeld als: de BREI- en NAAIWINKEL. Voor 1858 behoorde de
armenschool tot de Ned. Hervormde Gemeente en stond de school bekend als: de
Brei- en Naaischool der Diaconie. Toen moest de naaivrouw er voor zorgde dat
ze aan het eind van het jaar 100 paar gebreide kousen, 2400 genaaide hemden, een
aantal luierkorven en vrouwenrokken klaar had, zodat deze gratis uitgedeeld
konden worden. In het laatste kwartaal van 1859 heeft deze school 200
breinaalden nodig van no. 4 en 200 naalden van no. 6. De naaiwinkel wordt
bezocht door 141 meisjes en de breiwinkel door 38. De vrouwelijke handwerklessen
op de stadstussenschool in het Hof worden in diezelfde periode gevolgd door meer
dan 200 leerlingen.
In 1862 wordt er een reglement gemaakt voor de stadsburgerscholen. Op deze
scholen is het doel de meisjes te bekwamen in handwerken van nut en smaak. Zes
uur per week krijgen deze meisjes gedurende of buiten de gewone schooltijdtijd
les. De ouders zorgen voor alle benodigheden.
De handwerklessen worden regelmatig bezocht door een van de regentessen uit de
Commissie die toezicht houdt op het onderwijs in de handwerken aan meisjes. Deze
Commissie staat onder bestuur van de Plaatselijke Schoolcommissie.
Voor het onderwijs in de handwerken op openbare armenscholen te Dordrecht wordt
in 1868 een nieuw reglement opgesteld. De leeftijd van de meisjes wordt gesteld
op 7 jaar. Voor alle leerlingen worden de naalden, naaigaren en breiwol
kosteloos verstrekt. De stoffen moeten verzorgd worden door de ouders. De lessen
zijn nog steeds buiten de gewone schooluren.
De lessen in de handwerken op de openbare scholen worden gegeven door ca. 6 à 8
zogenaamde 'helpsters bij het onderwijs de handwerken'. Het onderwijs gebeurde
voornamelijk individueel en niet klassikaal. Elke leerling moest voorgedaan
worden hoe een bepaalde handwerktechniek gaat. In Nederland is het dan mogelijk
om examen te doen in het vak 'Nuttige (en fraaie) handwerken'. De meeste
helpsters zijn in bezit van deze onderwijsakte.
Handwerkonderwijs op gemeentescholen na 1878
In 1878 bij de herziening van de Wet op het Lager Onderwijs, wordt het
handwerkonderwijs voor alle schoolgaande meisjes verplicht. In Dordrecht werden
alleen de meisjes tot het handwerkonderwijs toegelaten, die 'zich door gedrag en
zindelijkheid onderscheiden' hadden. Of te Dordrecht vóór 1878 veel leerlingen
van de breilessen werden uitgesloten, is niet bekend. In plaats twee uur les na
schooltijd, wordt er nog maar vier keer per week één uur les (van 4 tot 5 uur)
gegeven in het handwerken.
De leerplannen van de gemeentescholen 2 t/m 6 uit 1885 zijn bewaard gebleven. De
handwerklessen van gemeenteschool no. 5 op de Vest (hoofd S. Schotel) ziet er
bijvoorbeeld als volgt uit (NB. de klassen zijn halfjaarlijkse klassen):
| laagste klasse A (6-6½ jr) - x laagste klasse B (6½-7 jr) - x laagste klasse C (7-7½ jr) - breien van een lap en kousen. laagste klasse D (7½-8 jr) - breien: kousen. middelste klasse A (8-8½ jr) - breien: mutsjes. Naaien: een naailap. middelste klasse B (8½-9 jr) - breien: borstrokken. Naailap en merklap. middelste klasse C (9-9½ jr) - naaien, merken en mazen. Voortgezet breien. middelste klasse D (9½-10 jr) - in vereeniging met klasse C. hoogste klasse A (10-10½ jr) - naaien, mazen, merken en stoppen hoogste klasse B (10½ -11jr) - in vereeniging met klasse A. hoogste klasse C (11-11½ jr) - naaien, mazen, stoppen, merken, verstellen, haken hoogste klasse D (11½ -12 jr) - in vereeniging met klasse C. |
We zien dat alle kinderen op hun zevende begonnen met het breien van een
lap. Op 8 à 9 jarige leeftijd beginnen ze met de merklap. Bijna alle de
merklappen uit de periode ca 1880-1940 worden geborduurd met rode borduurgaren:
de zogenaamde rode schoolmerklap. In september 2009 werden er op Ebay
twee van deze rode merklappen aangeboden. Beide merklappen (uit ca 1896 en uit
juli 1900) zijn gemaakt door de Dordtse Suse Maria Hermina Wijers (1888-1967).
De eerste is op stramien geborduurd, en de tweede merklap op borduurstof.
[illustratie: merklappen Suze Wijers, ca 1896 en juli 1900]
In 1897 is het leerplan voor het onderwijs in de handwerken op alle
gemeentescholen gelijk. De meisjes worden in 9 (halfjaarlijkse) klassen
verdeeld. De meisjes die het gehele leerplan doorlopen, hebben aan het eind in
ieder geval twee merklappen en een stoplap gemaakt. Op de merklappen borduren
zij G.S. (=gemeenteschool) en het cijfer van hun school.
| 1ste klas (ca 8 jr): |
Proeflappen: 35 st breiend
opzetten; 1 vierkant iedere naald recht, 1 vierk 1 naald recht, 1 naald
averechts; 1 vierk 2 r., 2 aver; afkanten; |
| 2de klas (ca 9 jr): | Twee kousen (60 st opzetten); een voetje dezelfde grootte; |
| 3de klas (ca 9 jr): | Twee
kousen (60 st opzetten) met letter en cijfer G.S.(..) met averechts st;
dubbel hiel; vierk kleine hiel; ronde teen in 8 deelen; Merken: de lap omnaaien, kruisjes, springst(eken) en slagen; |
| 4de klas (ca 10 jr): | Breien:
borstrok (120 st opzetten); Merken: Merklap zoomen met de flanelst(eek) 1ste voorbeeld (niet alphabetisch); G.S.(..) (drukletters) Rijgst(eek) en stikst(eek) |
| 5de klas (ca 10 jr): |
Naaien op linnen. Overhandsche
naad, stik- en rolnaad, schuine stik- en rolnaad, zoomen; |
| 6de klas (ca 11 jr): |
Mazen: aanmazen, een recht gaatje
van 2 en 3 toeren; |
| 7de klas (ca 11 jr): |
Knippen: een sloop en zak; |
| 8ste klas (ca 12 jr): | Knippen:
hemd en broek; Naaien: hemd en broek; Mazen: 2 r 2 avr., overmazen en gaatjes 2 r en 2 aver.; Stoppen: gaatjes keperstop in servetgoed met wit garen; |
| 9de klas (ca 12 jr): |
als in de achtste; |
| 5de klasse (ca 9 jr): |
Breien 2 uur - een kouseband, een
nachtzak, een onderlijfje |
| 6de klasse (ca 9 jr): |
Breien 2 uur - een kousje van 64
steken - een voetje |
| 7de klasse (ca 10 jr): |
Breien 1 uur - een kousje van 64
steken |
| 8ste klasse (ca 10 jr): |
Breien 1 uur - een sok van 64
steken |
| 9de klasse (ca 11 jr): |
Breien 1 uur - Maaslap breien.
Herhaling teen en hiel. |
| 10de klasse (ca 11 jr): |
Breien 1 uur - stukken inbreien |
| 11de klasse (ca 12 jr): |
Stoppen 1
uur - Doorstoppen, schiften, in fijn wit congresgaas |
| 12de klasse (ca 12 jr): |
Stoppen 1/2
uur - Gaatjes |
| NB. Waar in dit leerplan sprake is van halve uren, is de bedoeling, dat aan dat vak om de twee weken 1 uur wordt gewijd. | |
In de loop van 1912 wordt er op gemeenteschool nr. 12 een proef genomen met het
gebruiken van nikkelen breinaalden. Doordat nikkelen breinaalden niet roesten,
ziet het werk er veel netter uit. Bij de aankoop van nieuwe naalden zullen voor
alle gemeentescholen nikkelen naalden worden aangeschaft.
Tot omstreeks 1940 zijn er op de Nederlandse scholen merklappen geborduurd. Met
de wet van 20 juni 1974 (staatsblad 565) is het vak 'nuttige handwerken' geen
verplicht vak meer op de lagere school.
Wie een afbeelding heeft van een Dordtse merklap (of
breiproeflapjes e.d.) van vóór 1945, kan deze (evt. incl. naam van de
maakster) per email sturen. Misschien kan er met voorbeelden meer gezegd worden
over de ' Dordtse (school)merklap'.
(c) Dordrecht EvD november/december 2009, januari 2010.